Reactie Raad van State op uitspraak van het Europese Hof

Dinsdag 6 mei 2003

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft vandaag (6 mei) uitspraak gedaan in de zaak van Kleyn en anderen tegen Nederland. In die zaak was erover geklaagd, dat de Afdeling bestuursrechtspraak bij de behandeling van de beroepen tegen het Tracébesluit inzake de aanleg van de Betuwelijn niet aan de eis van onafhankelijkheid en onpartijdigheid voldeed, zoals die eis in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden wordt gesteld.

Het Hof heeft als zijn oordeel uitgesproken, dat er van schending van artikel 6 van het Europees Verdrag bij de behandeling van de Betuwelijnberoepen geen sprake is. In zijn overwegingen maakt het Hof het gebruikelijke onderscheid tussen de onafhankelijkheid van de rechter en diens onpartijdigheid in subjectieve en objectieve zin. Wat de onafhankelijkheid betreft, stelt het Hof uitdrukkelijk vast dat er geen reden is te twijfelen aan de onafhankelijkheid van de Raad van State. Inzake de onpartijdigheid in subjectieve zin oordeelt het Hof dat er geen enkele aanwijzing was voor enig persoonlijk vooroordeel aan de kant van de leden van de Kamer die de desbetreffende beroepen hebben behandeld.

Aangaande de onpartijdigheid in objectieve zin komt het Hof tot het oordeel dat de omstandigheden van deze concrete zaak voor de klagers geen grond boden om aan die onpartijdigheid te twijfelen. Het Hof volgt daarbij het door de Nederlandse regering – en in een eerder stadium ook door de Afdeling zelf en door de Hoge Raad – ingenomen standpunt, dat de advisering door de Raad van State over de Tracéwet en de latere behandeling door de Afdeling van beroepen tegen het Tracébesluit Betuweroute niet “the same case” of “the same decision” betroffen in de zin van het Procola-arrest uit 1995.

Het Hof gaat in een overweging ten overvloede nader in op de door de Nederlandse regering uitgesproken verwachting, dat de door de Afdeling bestuursrechtspraak naar aanleiding van het Procola-arrest getroffen maatregelen toereikend zijn om twijfel bij partijen over het ontbreken van vooringenomenheid te voorkomen. Of die maatregelen inderdaad in alle gevallen voldoende zullen blijken te zijn, acht het Hof niet geheel zeker. De Raad van State heeft met voldoening kennis genomen van het oordeel van het Hof, dat de onafhankelijkheid van de Afdeling bestuursrechtspraak in algemene zin vaststaat en dat in dit concrete geval ook de onpartijdigheid van de met de behandeling van de beroepen belaste Kamer, voldoende is komen vast te staan.

Om te voorkomen dat dit laatste aspect in toekomstige zaken vragen zou kunnen oproepen, wil de Raad de intern al getroffen maatregelen voor de procespartijen transparanter maken. In zijn jaarverslag 2002 heeft de Raad gewezen op de mogelijkheid deze maatregelen een wettelijke basis te geven in de Wet op de Raad van State, in de vorm van een bepaling dat een staatsraad niet deelneemt aan de behandeling door de Afdeling bestuursrechtspraak van een (hoger) beroep waarin een rechtsvraag aan de orde is bij de advisering waarover die staatsraad betrokken is geweest als lid van de Raad van State.

Voorts heeft de Raad van State in dat verslag de wenselijkheid aangegeven de adviserende functie van de Raad te concentreren bij een kleiner aantal staatsraden. De Raad hoopt op korte termijn in overleg te treden met de betrokken ministers over de wijze waarop een en ander wettelijk c.q. organisatorisch vorm kan worden gegeven. De gehele (Engelse) tekst van de uitspraak is te raadplegen op de website van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.