Staatssecretaris mag gezinshereniging afwijzen na te late aanvraag, mits hij op alternatieve procedure wijst

Donderdag 27 december 2018

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid mag een aanvraag voor gezinshereniging voor gezinsleden van vreemdelingen met een asielvergunning afwijzen, als deze te laat is ingediend. Wel moet hij de aanvrager in zo'n geval informeren over de gevolgen daarvan en hoe die langs een andere weg alsnog in aanmerking kan komen voor gezinshereniging. Dat blijkt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vandaag (27 december 2018).

Achtergrond

Het gaat om twee vreemdelingen uit Eritrea. Zij wilden gebruikmaken van een gunstige regeling voor gezinshereniging, maar daarvoor hadden zij binnen drie maanden nadat hun echtgenoot en vader in Nederland een asielvergunning kreeg, om gezinshereniging moeten vragen. Ze hebben hun aanvragen echter te laat ingediend. De staatssecretaris wees de aanvragen daarom af. De vreemdelingen zijn het daarmee niet eens, omdat zij nu alleen nog gebruik kunnen maken van de reguliere procedure om herenigd te worden met hun familie in Nederland.

Afwijzen mag, mits op andere procedure wordt gewezen

De staatssecretaris mag een aanvraag voor gezinshereniging afwijzen als deze buiten de termijn van drie maanden is ingediend. Wel moet hij de aanvrager informeren over de gevolgen van zijn besluit en moet hij hem wijzen op de reguliere procedure voor gezinshereniging, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak.

Prejudiciële vragen

De Afdeling bestuursrechtspraak stelde het Hof van Justitie in Luxemburg in juni 2017 zogenoemde prejudiciële vragen over deze zaak. Ze wilde van het Hof van Justitie onder meer weten of de Europese Gezinsherenigingsrichtlijn toestaat dat een aanvraag om gezinshereniging wordt afgewezen als deze te laat is ingediend. Het Hof van Justitie beantwoordde die vraag in november 2018 in beginsel bevestigend, maar dan moest wel de mogelijkheid bestaan om een nieuw verzoek in te dienen.

Lees hier de volledige tekst van de uitspraak met zaaknummer 201605532/2.