Europees Hof beantwoordt verschillende prejudiciële vragen over Gezinsherenigingsrichtlijn

Woensdag 7 november 2018

Vandaag (7 november 2018) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in Luxemburg in drie aparte arresten prejudiciële vragen beantwoord in verschillende vreemdelingenzaken. In mei, juni en augustus 2017 stelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in drie aparte verwijzingsuitspraken verschillende vragen over de uitleg van de Europese Gezinsherenigingsrichtlijn.

Prejudiciële vragen over inburgeringsexamen

In deze zaken gaat het over drie vreemdelingen die een tijdelijke verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid hadden. Om een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf te kunnen krijgen, moesten zij een inburgeringsexamen halen. Dat lukte hen niet en daarom kregen zij deze verblijfsvergunning niet van de toenmalige staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. De Afdeling bestuursrechtspraak wilde in mei en augustus 2017 van het Hof van Justitie weten of dit wel in overeenstemming is met de Gezinsherenigingsrichtlijn en of het stellen van een voorwaarde als het halen van een inburgeringsexamen in dit geval is toegestaan.

Het Hof antwoordt dat een verblijfstitel afhankelijk mag worden gesteld van het halen van een inburgeringsexamen. Maar de Afdeling bestuursrechtspraak zal daarbij wel moeten nagaan of de verplichting om zo’n inburgeringsexamen te halen niet te ver gaat voor het doel ervan, namelijk om de integratie van vreemdelingen makkelijker te maken.

Lees hier de arresten over het inburgeringsexamen met de nummers C-257/17 en C-484/17 van het Europese Hof van Justitie van 7 november 2018. Lees hier het persbericht dat bij de verwijzingsuitspraak van 10 mei 2017 is uitgebracht.

Prejudiciële vragen over te late aanvraag

Het tweede paar zaken gaat over drie vreemdelingen die gebruik wilden maken van een gunstige regeling voor gezinshereniging met gezinsleden die al een asielvergunning hadden. Zij hadden daar binnen drie maanden om moeten vragen, maar hebben dat te laat gedaan. Om die reden wees de staatssecretaris de aanvragen om gezinshereniging af. In deze zaken vroeg de Afdeling bestuursrechtspraak in juni 2017 aan het Hof van Justitie of deze Nederlandse regeling, waarbij alleen de termijnoverschrijding al voldoende is om de aanvraag af te wijzen, in overeenstemming is met de Gezinsherenigingsrichtlijn.

Het Hof laat weten dat een verzoek tot gezinshereniging inderdaad (in beginsel) mag worden afgewezen als het na meer dan drie maanden is ingediend. Daarbij moet dan wel de mogelijkheid bestaan om een nieuw verzoek in te dienen.

Lees hier het arrest over gezinshereniging na te late aanvraag met het nummer C-380/17 van het Europese Hof van Justitie van 7 november 2018. Lees hier het persbericht dat bij de verwijzingsuitspraak van 20 juni 2017 is uitgebracht.

Voortzetting behandeling

Met de antwoorden van het Hof van Justitie is nog geen einde gekomen aan deze procedures bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij heeft de behandeling van de zaken geschorst in afwachting van de antwoorden van het Hof in Luxemburg. Nu het Hof van Justitie de prejudiciële vragen in deze verschillende zaken heeft beantwoord, zal de Afdeling bestuursrechtspraak de behandeling van deze zaken voortzetten en daarna definitieve uitspraken doen.