Advies W03.11.0504/II

Datum: vrijdag 3 februari 2012
Soort: Algemene maatregel van bestuur
Ministerie: Justitie en Veiligheid
Vindplaats: Staatscourant 2012, nr. 4452

Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken en het Besluit politiegegevens.

Bij Kabinetsmissive van 29 november 2011, no.11.002859, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken en het Besluit politiegegevens, met nota van toelichting.

Het ontwerpbesluit strekt tot uitwerking van de Wet van 24 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden in verband met de introductie van het DNA-verwantschapsonderzoek en DNA-onderzoek naar uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van het onbekende slachtoffer en de regeling van enige andere onderwerpen.(zie noot 1)
De Afdeling advisering van de Raad van State onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt opmerkingen met betrekking tot de onbekende verdachte en de aanwijzing van de misdrijven ten aanzien waarvan de hulpofficier van justitie de bevoegdheid krijgt om onderzoek te verrichten op basis van celmateriaal van een onbekende verdachte. Zij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.

1. Onbekende verdachte
Voorgesteld wordt om in het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken op te nemen dat in het besluit onder "onbekende verdachte" wordt verstaan: de vermoedelijke dader van een strafbaar feit van wie in het kader van het strafbare feit celmateriaal in beslag genomen is of veilig gesteld is.(zie noot 2) Met deze term wordt aangesloten bij de terminologie uit het Wetboek van Strafvordering.(zie noot 3)
De Afdeling stelt vast dat het Wetboek van Strafvordering geen definitie van de onbekende verdachte kent. De Afdeling adviseert om in het Wetboek van Strafvordering en de daarop berustende bepalingen een definitie van onbekende verdachte op te nemen.

2. Aangewezen misdrijven
Als misdrijven in het kader waarvan de hulpofficier van justitie de bevoegdheid krijgt om een DNA-onderzoek op basis van celmateriaal van een onbekende verdachte te verrichten, worden aangewezen eenvoudige diefstal(zie noot 4) en enkele vormen van gekwalificeerde diefstal,(zie noot 5) te weten: diefstal van vee uit een weide, diefstal door twee of meer verenigde personen, of diefstal door middel van braak.(zie noot 6) In de nota van toelichting wordt gesteld dat ervoor is gekozen om ten aanzien van de zwaardere vormen van diefstal de bevoegdheid in handen te laten van de officier van justitie en de rechter-commissaris. Voor de overwegingen wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij de Wet van 24 november 2011. Daarin is gesteld dat de bevoegdheid van de hulpofficier moet worden beperkt tot zogenoemde "high-volume-crime"-misdrijven: te weten woninginbraken, inbraken in bedrijven en voertuigen. Ten aanzien van andere misdrijven dan deze "high-volume-crime"-misdrijven acht de regering het van belang dat de bevoegdheid bij de officier van justitie en de rechter-commissaris blijft liggen.(zie noot 7) In het licht hiervan is het opvallend dat diefstal van vee uit een weide wordt aangewezen als misdrijf in het kader waarvan de hulpofficier van justitie de bevoegdheid heeft een DNA-onderzoek op basis van celmateriaal van een onbekende verdachte te verrichten, maar niet diefstal in een woning gedurende de voor nachtrust bestemde tijd,(zie noot 8) dat met dezelfde maximumstraf van zes jaar gevangenisstraf is bedreigd. Daar komt bij dat ten tijde van de ontdekking van een diefstal in een woning niet steeds duidelijk zal zijn op welk tijdstip de diefstal heeft plaatsgevonden.
Gelet hierop adviseert de Afdeling om het voorgestelde artikel 5a aan te vullen met diefstal in een woning in de voor nachtrust bestemde tijd.(zie noot 9)

3. Voor redactionele kanttekeningen verwijst de Afdeling naar de bij het advies behorende bijlage.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De vice-president van de Raad van State



Bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W03.11.0504/II met redactionele kanttekeningen die de Afdeling in overweging geeft.

- In artikel I, onder A, onder 4, onder g, "onbekende verdachte: een vermoedelijke dader van een strafbaar feit of degene tegen wie de vervolging is gericht en van wie in het kader van het strafbare feit celmateriaal in beslag genomen is of veilig gesteld is." wijzigen in: onbekende verdachte: degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit en van wie in het kader van het strafbare feit celmateriaal in beslag genomen is of veilig gesteld is. (Het is juister om aan te sluiten bij de definitie van verdachte in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering).
- In artikel I, onder C "Als misdrijven in het kader waarvan" wijzigen in: Als misdrijven als bedoeld in artikel 151a, derde lid, van de wet, ten aanzien waarvan. Daarnaast is het passender om deze bepaling niet op te nemen in paragraaf 2 ("Wijze van afnemen van celmateriaal en waarborgen voor een zorgvuldige behandeling en registratie van afgenomen en in beslag genomen materiaal"), maar op te nemen in de eerste paragraaf met een nieuwe titel: Algemeen.
- In artikel I, onder J, onder 2, "In afwijking van het eerste lid vernietigt het instituut het celmateriaal van een derde terstond indien is vastgesteld dat het bijbehorende DNA-profiel: a. niet overeenkomt met (…)" wijzigen in: In afwijking van het eerste lid vernietigt het instituut het celmateriaal van een derde terstond: a. indien is vastgesteld dat het bijbehorende DNA-profiel niet overeenkomt met (…).
- In artikel I, onder F, "Als uiterlijk waarneembare kenmerken van een onbekende verdachte of onbekend slachtoffer waarop een DNA-onderzoek gericht kan zijn, worden aangewezen: a. het geslacht; b, het ras; c. de oogkleur.", geslacht en ras schrappen (In de toelichting wordt gesteld dat de aanwijzing van geslacht en ras strikt genomen overbodig is omdat deze al in de wet zijn aangewezen, maar dat omwille van de duidelijkheid is gekozen voor aanwijzing in het besluit. Volgens Aanwijzing 104a van de Aanwijzingen voor de regelgeving worden in een regeling bepalingen uit een andere regeling niet herhaald, tenzij dit onvermijdelijk is). Daarnaast is het passender om de aanwijzing van de uiterlijk waarneembare kenmerken niet op te nemen in paragraaf 3 ("Verrichten van DNA-onderzoek"), maar in de eerste paragraaf met een nieuwe titel: Algemeen.
- In artikel I, onder K, onder 6 "de Minister van Justitie" wijzigen in: de Minister van Veiligheid en Justitie.
- In artikel I, onder L, onder 3, de punt schrappen.



Nader rapport (reactie op het advies) van 23 februari 2012

De Afdeling advisering onderschrijft de strekking van het ontwerpbesluit, maar maakt opmerkingen over twee onderdelen van het ontwerpbesluit en heeft een aantal redactionele kanttekeningen bij dit ontwerp. Op deze opmerkingen en kanttekeningen zal ik hierna ingaan.

1. Overeenkomstig het voorstel van de Afdeling advisering zal ik bevorderen dat in het Wetboek van Strafvordering (Sv) een definitie van de term “onbekende verdachte” wordt opgenomen. Omdat deze term alleen wordt gehanteerd in de bepalingen die betrekking hebben op de toepassing van DNA-onderzoek, zal ik erin voorzien dat de definitie daarvan in artikel 138a Sv wordt opgenomen. In dat artikel wordt gedefinieerd wat in het Wetboek van Strafvordering onder DNA-onderzoek dient te worden verstaan.

2. Het advies van de Afdeling advisering om de bevoegdheid van de hulpofficier van justitie tot het laten verrichten van DNA-onderzoek aan celmateriaal van een onbekende verdachte in artikel 5a van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken uit te breiden tot diefstal in een woning in de voor de nachtrust bestemde tijd (artikel 311, eerste lid, onderdeel 3˚, van het Wetboek van Strafrecht), heb ik niet overgenomen. Deze vorm van diefstal gaat bijna altijd vergezeld met een van de in de onderdelen 4˚ (diefstal in vereniging) en 5˚ (diefstal door bijvoorbeeld braak of inklimming) van artikel 311, eerste lid, vermelde omstandigheden of met een ander misdrijf, zoals mishandeling of bedreiging van een of meer van de bewoners. Zoals de Afdeling advisering ook van oordeel is, is het ongewenst in die situaties waarin sprake is van een dergelijke strafverzwarende omstandigheid of van samenloop de hulpofficier van justitie te belasten met het DNA-onderzoek aan celmateriaal van de onbekende verdachte. Daarom heb ik, ondanks het feit dat diefstal in een woning op zichzelf, zoals de Afdeling advisering terecht opmerkt, onder de zogenoemde “high-volume-crime”-misdrijven valt en daarom onder het bereik van de bevoegdheid van de hulpofficier van justitie valt, ervoor gekozen om voor diefstal in een woning in de voor de nachtrust bestemde tijd de bevoegdheid tot het verrichten van DNA-onderzoek geheel in handen te laten van de officier van justitie en de rechter-commissaris en om niet in de beperkte gevallen waarin geen sprake van een strafverzwarende omstandigheid of samenloop is, de hulpofficier van justitie ook een rol te geven.

3. De redactionele kanttekeningen van de Afdeling advisering heb ik ter harte genomen. Deze kanttekeningen heb ik overgenomen, met uitzondering van de kanttekening onder het vierde gedachtestreepje die ik deels heb nagevolgd.
Anders dan de Afdeling advisering onder het vierde gedachtestreepje voorstelt, heb ik in artikel 7a van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken in de opsomming van de uiterlijk waarneembare persoonskenmerken waarnaar DNA-onderzoek als bedoeld in de artikelen 151d, eerste lid, en 195f, eerste lid, Sv, kan worden gedaan, het geslacht en ras gehandhaafd. Weliswaar zijn in het tweede lid van de artikelen 151d en 195f Sv het geslacht en ras al als uiterlijk waarneembare persoonskenmerken aangewezen en deel ik de opvatting van de Afdeling advisering dat herhalingen in regelgeving moeten worden voorkomen, maar artikel 7a wordt naar mijn mening onduidelijk en onleesbaar als die twee kenmerken uit dat artikel zouden worden weggelaten. In dat opzicht beschouw ik de herhaling van de twee kenmerken als onvermijdelijk in de zin van Aanwijzing 104a van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
Door de opvolging van het advies van de Afdeling advisering zijn de artikelen 5a en 7a naar paragraaf 1 van het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken verplaatst en is de titel van die paragraaf overeenkomstig dat advies gewijzigd. De artikelen 5a en 7a zijn als gevolg van die verplaatsing vernummerd tot de artikelen 1a en 1b en ondergebracht in artikel I, onder C, van het ontwerpbesluit. Als gevolg van deze wijzigingen zijn de onderdelen A tot en met van F van artikel I aangepast. Dat heeft er tevens toe geleid dat in de nota van toelichting de betrokken artikelen en artikelonderdelen zijn vernummerd.

Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie



(1) Staatsblad 2011, 555.
(2) Artikel 1, onderdeel g, als voorgesteld.
(3) Toelichting op artikel I, onder A, tweede alinea. Bijvoorbeeld artikel 138a, artikel 151b, eerste lid, artikel 151d, eerste lid, artikel 195f, eerste lid.
(4) Artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.
(5) Artikel 311, eerste lid, onderdelen 1, 4 en 5, van het Wetboek van Strafrecht.
(6) Het voorgestelde artikel 5a.
(7) Kamerstukken II 2009/10, 32 168, nr. 6, blz. 27.
(8) Artikel 311, eerste lid, onderdeel 3, Wetboek van Strafrecht.
(9) Indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 311, tweede lid, Wetboek van Strafrecht kan een straf van maximaal negen jaar worden opgelegd en is de bevoegdheid van de hulpofficier van justitie niet passend.
 



Gehele tekst ontwerpregeling met toelichting