Samenvatting voorlichting over overdracht pensioenen

Datum publicatie: vrijdag 30 november 2018 - Datum advies: woensdag 28 november 2018

Dat Nederland ervoor kiest om te eisen dat twee derde van de deelnemers en gepensioneerden die hebben gereageerd op een daartoe strekkend verzoek instemt met een overdracht van hun pensioen naar het buitenland, is niet in strijd met het Europese recht. Dat schrijft de Afdeling advisering van de Raad van State in een zogenoemde voorlichting, een reactie op vragen van de Eerste Kamer. Die voorlichting is op 29 november 2018 openbaar gemaakt. Aanleiding voor het vragen van de voorlichting was de nieuwe wet waarmee een Europese pensioenrichtlijn in het Nederlandse recht wordt opgenomen.

Pensioenoverdracht naar ander land

De Europese richtlijn is bedoeld om het pensioeninstellingen makkelijker te maken om in een andere lidstaat van de Europese Unie te opereren. Daarbij is het van belang dat deelnemers aan de pensioenregelingen en de pensioengerechtigden goed beschermd worden op het moment dat hun pensioen naar een ander lidstaat wordt overgedragen. Zij hebben immers hun pensioen opgebouwd op basis van regels in eigen land met alle waarborgen van dien. Maar bij pensioenoverdracht naar een ander land geldt het pensioenstelsel van een ander land. Om ervoor te zorgen dat de belangen van de betrokkenen bij grensoverschrijdende pensioenoverdracht voldoende worden beschermd, bevat de richtlijn waarborgen. Ten eerste moeten zowel de toezichthouder van de lidstaat van vertrek als de toezichthouder van de lidstaat waar de pensioen naar toegaat met zo’n overdracht instemmen. Daarnaast moet de overdracht volgens de richtlijn worden goedgekeurd door een meerderheid van de betrokken deelnemers van de pensioenfonds en de meerderheid van de betrokken pensioengerechtigden of hun  vertegenwoordigers. Op deze manier wordt gewaarborgd dat de direct betrokkenen zelf een afweging kunnen maken of ze willen dat hun pensioenen naar het buitenland worden overgedragen.

Welke meerderheid?

Iedere lidstaat mag zelf bepalen hoe groot de meerderheid van de deelnemers en pensioengerechtigden moet zijn. In het wetsvoorstel waarbij de richtlijn wordt omgezet naar het nationale recht heeft Nederland ervoor gekozen om de meerderheid als volgt te definiëren: de meerderheid betekent twee derde van de deelnemers en gewezen deelnemers en een twee derde van de pensioengerechtigden die hebben gereageerd op een verzoek om zich uit te spreken over de overdracht van hun pensioen naar een andere lidstaat. De Eerste Kamer wilde van de Afdeling advisering weten of deze zware eis niet in strijd is met Europees recht. Het moet namelijk niet zo zijn dat door de hoge drempel de overdracht van pensioenen naar een andere lidstaat praktisch onmogelijk is. Ook was de vraag of deze verzwaarde eis niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Voor binnenlandse pensioenoverdrachten geldt zo’n eis namelijk niet.

Geen strijd met Europees recht

In deze voorlichting komt de Afdeling advisering tot de conclusie dat zij geen aanleiding ziet om te veronderstellen dat deze goedkeuringsprocedure voor een pensioenoverdracht naar het buitenland in strijd zou zijn met het Europees recht. Verder concludeert de Afdeling advisering dat voor grensoverschrijdende pensioenoverdrachten inderdaad een andere procedure geldt dan voor binnenlandse overdrachten leidt weliswaar tot een ongelijke behandeling, maar de gevallen verschillen zozeer van elkaar dat dit niet in strijd is met het Europese recht. Het gaat om ongelijke gevallen die om die reden ongelijk worden behandeld.

Lees hier de volledige voorlichting van de Afdeling advisering.