Samenvatting advies over het voorkomen van alfahulpbemiddeling door gemeenten

Datum publicatie: vrijdag 6 juli 2018 - Datum advies: donderdag 13 oktober 2016

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft advies uitgebracht over het wetsvoorstel over de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) ter voorkoming van alfahulpbemiddeling. Het advies van de Afdeling advisering is op 6 juli 2018 openbaar gemaakt.

Het wetsvoorstel

Het wetsvoorstel had als doel om oneigenlijk gebruik van alfahulpconstructies tegen te gaan. Het verbood gemeenten om een voorziening te treffen die het aangaan van een contract dat voldoet aan de zogenoemde 'Regeling dienstverlening aan huis' (ook: alfahulp) tot doel heeft.

Volgens die Regeling dienstverlening aan huis hoeft een natuurlijke persoon - werkgever - geen loonadministratie te voeren en geen loonbelasting en premies af te dragen bij persoonlijke dienstverlening door diens werknemer, op voorwaarde dat de dienstverlening doorgaans minder dan vier dagen per week wordt verricht. Het wetsvoorstel voorzag erin dat het gemeenten wordt verboden een voorziening op grond van de Wmo 2015 te treffen door te bemiddelen in zo’n alfahulp-constructie. Het wetsvoorstel zou er niet aan in de weg staan dat natuurlijke personen zelf zo’n arbeidsverhouding aangaan in het kader van de uitvoering van een persoonsgebonden budget (pgb).

Noodzaak wetsvoorstel

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in enkele recente uitspraken uitleg over het stelsel van de Wmo 2015 en de alfahulpconstructies gegeven. Daaruit wordt duidelijk dat een gemeente geen voorziening treft als bedoeld in de Wmo 2015, als er alleen een contract bestaat tussen de alfahulp en de cliënt. De gemeente compenseert dan slechts financieel de kosten van particuliere dienstverlening of verwijst naar private ondersteuning. Alfahulpbemiddeling door de gemeente kan volgens de CRvB niet als alternatieve voorziening worden aangeboden.   
Uit deze op de tekst en de wetsgeschiedenis van de Wmo 2015 gebaseerde uitspraken kan de conclusie getrokken worden dat het wetsvoorstel niet (meer) nodig is, ook niet als volgende uitspraken nog tot een nadere uitleg en precisering zullen leiden. De huidige bepalingen van de Wmo 2015, zoals deze door de CRvB zijn uitgelegd, leiden er namelijk al toe dat gemeenten voorzieningen op grond van de Wmo 2015 niet in de vorm van bemiddeling kunnen aanbieden. 

Strijd met uitgangspunt decentralisatie Wmo 2015

Verder is een van de uitgangspunten van het gedecentraliseerde stelsel van de Wmo 2015 dat de beleidsmatige invulling van de uitvoering van de aan gemeenten gedecentraliseerde taken in belangrijke mate aan gemeenten zelf wordt overgelaten. Decentralisatie brengt onder andere met zich dat de (gemeentelijke) praktijk een kans moet worden gegeven, en dat bij problemen of een incident niet direct wordt gedacht aan het wijzigen van het wettelijk stelsel. Dit vergt grote terughoudendheid, rolvastheid en zelfbeheersing bij de wetgever. Zeer zwaarwegende belangen moeten worden aangevoerd om ingrijpen in de decentrale praktijk te kunnen rechtvaardigen.
In dit verband betekent de stelselverantwoordelijkheid van de centrale overheid niet dat de rijksoverheid ook verantwoordelijk is voor besluiten die op grond van de wet door andere bestuurslagen worden genomen. Aanspreekbaarheid voor het stelsel als geheel kan wél betekenen dat de rijksoverheid in overleg treedt met andere overheden. Als zich problemen voordoen, ligt het voor de hand om eerst te bekijken hoe deze binnen de kaders van de wet kunnen worden opgelost en wie voor het nemen van de daarop gerichte maatregelen de verantwoordelijkheid draagt. Pas in laatste instantie kan de vraag aan de orde komen of een wijziging van het wettelijk stelsel nodig is.

In dit geval heeft de CRvB de bestaande Wmo 2015 in het licht van de tekst ervan en de wetsgeschiedenis nader uitgelegd. Het is nu niet aan de wetgever in formele zin, maar aan gemeenten om te bekijken welke consequenties voor hun eigen beleid moeten worden getrokken uit de uitspraken van de CRvB. Het is dan aan de rechter om dat te toetsen. Als zich naar aanleiding van (in dit geval) uitspraken van de CRvB structureel problemen zouden voordoen, kan dat reden zijn voor de centrale overheid om in gesprek te gaan met decentrale overheden. De uitkomst van dat overleg kan zijn dat wetgeving nodig is. Daarvan is nu nog niet gebleken.

De Afdeling advisering heeft daarom geadviseerd om het wetsvoorstel te heroverwegen.

Reactie minister

De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft laten weten dat hij het advies van de Afdeling advisering opvolgt en het wetsvoorstel niet bij de Tweede Kamer indient.

Lees hier de volledige tekst van het advies van de Afdeling advisering en het nader rapport van de minister.