Samenvatting voorlichting adviesrecht provincies bij mijnbouw op zee

Datum publicatie: woensdag 11 april 2018 - Datum advies: vrijdag 6 april 2018

Provincies hebben een adviesrecht bij aanvragen voor opsporingsvergunningen en winningsvergunningen voor mijnbouw die op hun provincie betrekking hebben. De Tweede Kamer heeft de Afdeling advisering van de Raad van State gevraagd hoe met dit adviesrecht moet worden omgegaan bij mijnbouw op zee. De beantwoording van deze vraag is in een zogenoemde voorlichting van de Afdeling advisering op 11 april 2018 openbaar gemaakt.

Indeling Noordzee langs de kust

De Afdeling gaat in de voorlichting eerst in op de indeling van de Noordzee langs de kust. Die is ingedeeld in verschillende maritieme zones, waarvoor verschillende regels gelden. Deze indeling is gebaseerd op de mogelijkheden die het internationale recht biedt en is op hoofdlijnen als volgt:

a. een zone van een kilometer vanaf de basislijn die nog hoort bij de langs de kust gelegen gemeenten en provincies: de 1 kilometerzone. Hier geldt de Nederlandse wetgeving op dezelfde manier als op het vasteland en hebben zowel de Rijksoverheid als de kustprovincies en -gemeenten de normale wettelijke bevoegdheden. Ook voor de Waddenzee geldt dat deze in wetgeving provinciaal en gemeentelijk is ingedeeld;

b. een zone van 12 zeemijl vanaf de basislijn: de territoriale zee of 12-mijlszone. Nederlandse wetten zijn hier 'in beginsel' ook van toepassing. Deze zone is (behalve de eerste kilometer) niet provinciaal en gemeentelijk ingedeeld, maar valt onder beheer van het Rijk;

c. een zone aansluitend op de territoriale zee: de Exclusieve Economische Zone (EEZ). Nederland heeft hier geen soevereiniteit, maar wel bepaalde soevereine rechten met betrekking tot natuurlijke hulpbronnen. Nederlandse wetgeving is alleen van toepassing als dit expliciet in de desbetreffende wet is bepaald, zoals in de Mijnbouwwet. Ook de EEZ is niet provinciaal of gemeentelijk ingedeeld.

Geen verplichting om advies aan provincies te vragen

De wetgever heeft op deze manier nauwkeurig aangeduid welk deel van de zee tot het grondgebied van gemeente en provincie gerekend moet worden: de Waddenzee en de 1 kilometerzone, maar niet de rest van de territoriale zee en niet de EEZ. De Afdeling advisering ziet in de tekst of de wetsgeschiedenis ook geen aanwijzingen dat aan "de provincie waarop de aanvraag voor een vergunning betrekking heeft" een andere betekenis moet worden gegeven dan dat het gaat om de provincie op het grondgebied waarvan het in de aanvraag aangeduide opsporings- of winningsgebied feitelijk ligt. Ook in de wetssystematiek zijn hiervoor geen aanwijzingen; het tweede lid van artikel 16 van de Mijnbouwwet legt een duidelijke koppeling met het grondgebied van de te betrekken gemeenten. Conclusie: als de aanvraag betrekking heeft op een gebied dat niet bij het grondgebied van een provincie hoort (territoriale zee buiten de 1 km zone en de EEZ) is er ook geen sprake van een verplichting om een provincie om advies te vragen.

Lees hier de volledige tekst van de voorlichting van de Afdeling advisering.