Samenvatting advies initiatiefwetsvoorstel aanpassing disconteringsvoet

Datum publicatie: donderdag 9 maart 2017 - Datum advies: vrijdag 10 februari 2017

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft advies uitgebracht over het initiatiefwetsvoorstel van het Tweede Kamerlid Krol tot wijziging van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met het invoeren van een maatregel tot onder meer aanpassing van de disconteringsvoet waartegen pensioenfondsen hun pensioenverplichtingen moeten berekenen (Wet aanpassing disconteringsvoet). Het advies is op 9 maart 2017 openbaar gemaakt.

Doel initiatiefwetsvoorstel

Het initiatiefwetsvoorstel maakt het mogelijk de disconteringsvoet (de rekenrente), die gebaseerd is op de marktrente, in geval van bijzondere economische omstandigheden tijdelijk volgens andere maatstaven te bepalen. Bij die bijzondere economische omstandigheden wordt met name gedacht aan de huidige lage marktrente, die onder andere het gevolg is van het ruime monetaire beleid van de Europese Centrale Bank. Het wetsvoorstel maakt het mogelijk om in afwijking van de marktrente een minimumpercentage te hanteren, waarbij de initiatiefnemer denkt aan een minimumpercentage van 2%. De initiatiefnemer wil hiermee tijdelijk kunnen afwijken van de momenteel geldende wettelijk neergelegde regels over de dekkingsgraden van pensioenfondsen, omdat de daling van die dekkingsgraden binnen afzienbare termijn wellicht tot korting van de pensioenuitkering zou kunnen leiden.

Financieel toetsingskader

De Afdeling advisering wijst in haar advies op de in 2015 ingevoerde regels over het nieuwe financiële toetsingskader voor pensioenvermogens (het zogenoemde FTK). Hiermee is beoogd het beheer van de pensioenvermogens, binnen de bestaande kaders van het nominale pensioencontract, stabieler te maken en bij te dragen aan een evenwichtiger verdeling van de 'lusten en lasten' over de deelnemers, oud-deelnemers en gepensioneerden (het zogenoemde generatie-evenwicht).

Ontwikkeling rentestanden

De Afdeling advisering wijst erop dat onderzoek van het Centraal Planbureau (CPB) laat zien dat de langetermijnrente al sinds de jaren tachtig een dalende trend vertoont. De verwachting is dat rentestanden in de toekomst weliswaar weer kunnen oplopen, maar niet (volledig) zullen terugkeren naar niveaus die historisch gezien wel gebruikelijk waren. De vraag is volgens de Afdeling advisering dan ook in hoeverre de huidige economische omstandigheden zo uitzonderlijk zijn dat nu een (tijdelijke) afwijking van het toezichtkader gerechtvaardigd is.

Effecten minimumrentepercentage

Daarnaast is van belang dat het CPB op verzoek van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de effecten van een invoering van een bodem in de rekenrente heeft berekend. Hieruit blijkt dat de generatie-effecten van zo'n minimumrentepercentage sterk afhankelijk zijn van de precieze hoogte van het minimumrentepercentage, in verhouding tot de feitelijke marktrente en de duur waarvoor met het minimumrentepercentage mag worden gerekend. In algemene zin geldt dat hoe groter het verschil is tussen het minimumrentepercentage en de feitelijke rente en hoe langer met dit hogere percentage mag worden gerekend, hoe groter de generatie-effecten zijn. Tegelijkertijd laat de notitie van het CPB zien dat een minimumpercentage van 2% gedurende een periode van vijf jaar beperkte generatie-effecten heeft. Een dergelijk scenario komt in de buurt van wat de initiatiefnemer volgens de toelichting bij zijn voorstel voor ogen heeft.

In het advies komt de Afdeling advisering tot het oordeel dat het initiatiefwetsvoorstel mogelijk een ingrijpend effect heeft op het met het FTK bereikte (generatie-)evenwicht. Als de afwijkingsmogelijkheid wat betreft de hoogte en de duur beperkt wordt, roept dit de vraag op wat de meerwaarde van het initiatiefwetsvoorstel is en of dit de inbreuk op het stelsel van het FTK rechtvaardigt. Als het echter zou gaan om een grotere afwijking wat betreft hoogte en duur, kunnen aanzienlijke generatie-effecten optreden die het met het FTK beoogde evenwicht dreigen te ondermijnen.

Delegatiebepaling

Vervolgens is van belang dat in de voorgestelde wettekst wordt voorzien in een algemene delegatiemogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur te bepalen bij welke veranderingen van de economische omstandigheden een afwijkend minimumrentepercentage mag worden gehanteerd. Daarin wordt niet gedefinieerd wanneer sprake is van een zodanige verandering van economische omstandigheden die een inbreuk op het stelsel van het FTK rechtvaardigt. Ook bevat het initiatiefwetsvoorstel geen waarborg om te voorkomen dat het minimumrentepercentage te veel afwijkt van de feitelijke rentepercentages. Het initiatiefwetsvoorstel bepaalt bovendien niet dat afwijking slechts tijdelijk mogelijk is. Hierdoor bestaat het reële risico dat het met het FTK beoogde generatie-evenwicht structureel wordt ondermijnd. Dit is een potentieel zo ingrijpende wijziging dat deze ongewenst is.

Lees hier de volledige tekst van het advies van de Afdeling advisering en de reactie van de indiener.