Advies W16.18.0186/II

Datum: woensdag 26 september 2018
Soort: Algemene maatregel van bestuur
Ministerie: Justitie en Veiligheid
Vindplaats: Staatscourant

Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit politiegegevens, het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens en het Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten ter implementatie van Europese regelgeving over de verwerking van persoonsgegevens met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen (Besluit implementatie richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging), met nota van toelichting.

Bij Kabinetsmissive van 13 juli 2018, no.2018001331, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Rechtsbescherming, mede namens de Minister van Defensie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit politiegegevens, het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens en het Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten ter implementatie van Europese regelgeving over de verwerking van persoonsgegevens met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen (Besluit implementatie richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging), met nota van toelichting.

Het ontwerpbesluit implementatie richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging wijzigt het Besluit politiegegevens (Bpg), het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens (Bjsg) en het Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten (BpgBod’en) om richtlijn (EU) 2016/680 betreffende de gegevensbescherming in de opsporing en vervolging (hierna: de richtlijn), te implementeren. (zie noot 1) Eerder zijn wijzigingen in de Wet politiegegevens (Wpg) en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) voorgesteld om aan de verplichtingen van deze richtlijn te voldoen. (zie noot 2) Het ontwerpbesluit borduurt gedeeltelijk op deze wijzigingen voort. Inmiddels is de termijn voor de implementatie van de richtlijn op 6 mei 2018 verstreken.

De Afdeling is van oordeel dat de voorgestelde verruiming van de bevoegdheid om bepaalde politiegegevens in incidentele gevallen en aan samenwerkingsverbanden door te geven, van verstrekkende aard is en daarom het bestek van het tot implementatie strekkende ontwerpbesluit te buiten gaat. Daarbij is van belang dat het hier (deels) om ‘zachte’ politiegegevens gaat waarvoor nu als uitgangspunt geldt dat deze niet aan derden worden verstrekt. De Afdeling adviseert in het licht daarvan van de voorgestelde verruiming in dit ontwerpbesluit af te zien. Hiernaast adviseert de Afdeling nader toe te lichten hoe het behoud van enkele doeleinden voor verdere verwerking van strafvorderlijke gegevens door andere lidstaten zich verhoudt tot de verplichtingen uit de richtlijn. Tot slot adviseert de Afdeling in de toelichting nader in te gaan op de vraag of in het ontwerpbesluit nadere voorwaarden moeten worden opgenomen voor de doorgifte van gegevens aan derde landen. Op beide punten dient het ontwerpbesluit zo nodig te worden aangepast.

De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het voorstel naar de Kamer te zenden, maar acht op de hiervoor genoemde onderdelen een dragende motivering of aanpassing van het voorstel wenselijk.

1. Verruiming van de mogelijkheden om politiegegevens aan derden te verstrekken in incidentele gevallen en aan samenwerkingsverbanden
Het ontwerpbesluit stelt voor om een wijziging aan te brengen in de mogelijkheden tot verstrekking van bepaalde categorieën politiegegevens in incidentele gevallen en aan samenwerkingsverbanden. Het gaat hierbij om de politiegegevens bedoeld in artikel 9 en artikel 10 van de Wpg. Met name bij artikel 10 van de Wpg gaat het om zachte gegevens ten aanzien waarvan ook binnen de politie een strikt regime voor verwerking geldt. (zie noot 3) Het huidige artikel 4:5, tweede lid, van het Bpg bepaalt dat deze politiegegevens aan derden worden verstrekt ‘indien dringend noodzakelijk voor de goede uitvoering van de politietaak’. In het ontwerpbesluit wordt voorgesteld om dit criterium te vervangen door het criterium ‘indien dit strikt noodzakelijk is voor het doel van de verstrekking’. Gelet op de toelichting wordt met deze wijziging beoogd om een verruiming te brengen in de mogelijkheden tot verstrekking van politiegegevens aan derden. (zie noot 4) Het huidige criterium zou te veel knellen en geen mogelijkheden bieden om politiegegevens te verstrekken in andere noodzakelijk geachte gevallen, zoals wanneer het zorgfraude en terrorismefinanciering betreft.

Als uitgangspunt geldt dat in een implementatieregeling geen andere regels worden opgenomen dan voor de implementatie noodzakelijk zijn. (zie noot 5) De voorgestelde wijziging van artikel 4:5, tweede lid, van het Bpg voldoet daar niet aan; zij houdt geen verband met een verplichting die uit de richtlijn voortvloeit. Deze wijziging vergt bovendien een principiële beoordeling in de bredere context van het wettelijke stelsel van gegevensverstrekking aan derden. Dit stelsel gaat uit van een gesloten systeem van verstrekkingen. Dit vindt zijn uitwerking in het Bpg; verstrekking van politiegegevens aan derden vindt in beginsel alleen plaats op grond van artikel 4:1 tot en met 4:4 waarin concreet is aangegeven aan welke instanties en voor welke taken politiegegevens mogen worden verstrekt. Om te voorkomen dat deze regeling zou worden omzeild is in artikel 4:5 van het Bpg geregeld dat bepaalde, met name de meer ‘zachte’, politiegegevens in incidentele gevallen en aan samenwerkingsverbanden niet aan derden mogen worden verstrekt. (zie noot 6) Dat verbod is blijkens de destijds gegeven toelichting alleen niet van toepassing in gevallen waarin sprake is van een ‘ernstig gevaar voor de gezondheid of het leven van bepaalde personen’. (zie noot 7) De voorgestelde wijziging wijkt hier in belangrijke mate vanaf en beoogt de mogelijkheden tot verstrekking van (met name) ‘zachte’ politiegegevens in de door artikel 4:5 bestreken situaties in aanzienlijke mate te verruimen.

De Afdeling merkt op dat de voorgestelde wijziging in het licht van het voorgaande het bestek van het tot implementatie strekkende ontwerpbesluit te buiten gaat. Daarbij is van belang dat het hier (deels) om ‘zachte’ politiegegevens gaat waarvoor nu als uitgangspunt geldt dat deze niet aan derden worden verstrekt. Een zorgvuldige afweging dient plaats te vinden van de noodzaak en proportionaliteit van de voorgestelde verruiming, waarin wordt gelet op de aard van deze gegevens en de inbreuk die in geval verstrekking op de persoonlijke levenssfeer van de daarbij betrokken personen plaatsvindt. Daarbij dient tevens te worden bezien hoe de voorgestelde verruiming zich verhoudt tot het in het Bpg neergelegde gesloten systeem van verstrekkingen en voorts of, gelet op de verstrekkende aard van de voorgestelde verruiming, regeling in de wet (met de daaraan inherente parlementaire zeggenschap) in plaats van in een algemene maatregel van bestuur aangewezen is.

De Afdeling adviseert, gelet op het voorgaande, de voorgestelde wijziging te schrappen.

2. Doeleinden voor verdere verwerking van strafvorderlijke gegevens na doorzending aan andere lidstaten
Het ontwerpbesluit wijzigt voor welke doeleinden politiegegevens, nadat die zijn doorgezonden aan een andere lidstaat, door de ontvangende bevoegde autoriteit verder mogen worden verwerkt. Twee doeleinden komen te vervallen. Het gaat om de doeleinden ‘andere gerechtelijke en administratieve procedures die rechtstreeks verband houden met de preventie, het onderzoek, de opsporing en de vervolging ter zake van strafbare feiten en de tenuitvoerlegging van straffen’ en ‘een ander doel, slecht na voorafgaande toestemming van de verstrekkende lidstaat of met instemming van de betrokkene’. Eerder waren die doeleinden wel in het Kaderbesluit 2008/977/JBZ opgenomen. (zie noot 8) Dit besluit is echter door de richtlijn ingetrokken. Volgens de toelichting komen de hiervoor genoemde doeleinden te vervallen om aan de verplichtingen van de richtlijn te voldoen. (zie noot 9)

De Afdeling merkt op dat de hiervoor genoemde doeleinden voor de verdere verwerking van strafvorderlijke gegevens in artikel 36 van het Bjsg worden behouden. Ook voor deze bepaling geldt dat deze doeleinden volgden uit het ingetrokken Kaderbesluit 2008/977/JBZ. (zie noot 10) Nu de voormelde doeleinden in het Bpg komen te vervallen om aan de richtlijn te voldoen, roept dit de vraag op waarom artikel 36 van het Bjsg niet ook wordt gewijzigd. In het bijzonder is nog de vraag of het behoud van het doeleinde om gegevens voor ‘een ander doel, slecht na voorafgaande toestemming van de verstrekkende lidstaat of met instemming van de betrokkene’ verenigbaar is met de richtlijn. Hiermee lijkt immers de ruimte te worden geboden om verschillende, nog niet nader gedefinieerde, doeleinden na te streven bij de verdere verwerking van gegevens terwijl persoonsgegevens volgens de richtlijn alleen voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en legitieme doelen mogen worden verzameld en niet op een met die doeleinden onverenigbare wijze mogen worden verwerkt. (zie noot 11)

De Afdeling adviseert om de verhouding van artikel 36 van het Bjsg tot de richtlijn nader toe te lichten en zo nodig de bepaling aan te passen.

3. Voorwaarden voor het doorzenden en doorgeven van politiegegevens aan andere lidstaten en aan derde landen
In artikel 5:3 van het Bpg zijn enkele voorwaarden neergelegd voor de doorzending van politiegegevens aan de andere lidstaten van de EU. Eén van die voorwaarden is dat de doorgezonden politiegegevens door de ontvangende autoriteit in de andere lidstaat worden vernietigd zodra de doeleinden zijn verwezenlijkt. (zie noot 12) Ook is als voorwaarde opgenomen dat, indien dit uit de Wpg voortvloeit, termijnen kunnen worden gesteld waarbinnen de doorgezonden gegevens moeten worden vernietigd. (zie noot 13) Dezelfde eisen worden echter niet gesteld bij de doorgifte van gegevens aan derde landen. De vraag is of niet minstens dezelfde beperkende voorwaarden zouden dienen te gelden voor de doorgifte van politiegegevens aan derde landen, als waar het de doorzending van die gegevens aan lidstaten betreft. (zie noot 14)

De Afdeling adviseert in de toelichting op het bovenstaande in te gaan en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.

4. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De vice-president van de Raad van State


Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W16.18.0186/II

In de voorgestelde wijzigingen van het Bpg:
- In artikel 4:2 moet ‘verantwoordelijke’ tweemaal worden vervangen door ‘verwerkingsverantwoordelijke’.
- Uit het nieuwe eerste lid van artikel 5:1 blijkt niet dat voorwaarden worden gesteld met betrekking tot de doorgifte van gegevens aan derde landen, en evenmin dat ook de voorwaarden genoemd in artikel 17a, Wpg gelden. De bepaling dusdanig aanpassen dat deze nadere duiding wordt gegeven.
- Het opschrift van artikel 5:1 wijzigen zodat wordt verduidelijkt dat een nadere uitwerking wordt gegeven van artikel 17a Wpg.
- In artikel 6:5, eerste lid, ‘verantwoordelijke’ vervangen door ‘verwerkingsverantwoordelijke’.
- In artikel 6:1a, derde lid, onderdeel h, "het" schrappen na "tijdens".
In de voorgestelde wijzigingen van het Bjsg:
- In artikel 11b, eerste lid, ‘verantwoordelijke’ vervangen door ‘verwerkingsverantwoordelijke’.


Nader rapport (reactie op het advies) van 3 december 2018

1. Verruiming van de mogelijkheden om politiegegevens aan derden te verstrekken in incidentele gevallen en aan samenwerkingsverbanden
Het ontwerpbesluit stelt voor om een wijziging aan te brengen in de mogelijkheden tot verstrekking van bepaalde categorieën politiegegevens in incidentele gevallen en aan samenwerkingsverbanden. Het gaat hierbij om de politiegegevens bedoeld in artikel 9 en artikel 10 van de Wpg. Met name bij artikel 10 van de Wpg gaat het om zachte gegevens ten aanzien waarvan ook binnen de politie een strikt regime voor verwerking geldt. Het huidige artikel 4:5, tweede lid, van het Bpg bepaalt dat deze politiegegevens aan derden worden verstrekt ‘indien dringend noodzakelijk voor de goede uitvoering van de politietaak’. In het ontwerpbesluit wordt voorgesteld om dit criterium te vervangen door het criterium ‘indien dit strikt noodzakelijk is voor het doel van de verstrekking’. Gelet op de toelichting wordt met deze wijziging beoogd om een verruiming te brengen in de mogelijkheden tot verstrekking van politiegegevens aan derden. Het huidige criterium zou te veel knellen en geen mogelijkheden bieden om politiegegevens te verstrekken in andere noodzakelijk geachte gevallen, zoals wanneer het zorgfraude en terrorismefinanciering betreft.

Als uitgangspunt geldt dat in een implementatieregeling geen andere regels worden opgenomen dan voor de implementatie noodzakelijk zijn. De voorgestelde wijziging van artikel 4:5, tweede lid, van het Bpg voldoet daar niet aan; zij houdt geen verband met een verplichting die uit de richtlijn voortvloeit. Deze wijziging vergt bovendien een principiële beoordeling in de bredere context van het wettelijke stelsel van gegevensverstrekking aan derden. Dit stelsel gaat uit van een gesloten systeem van verstrekkingen. Dit vindt zijn uitwerking in het Bpg; verstrekking van politiegegevens aan derden vindt in beginsel alleen plaats op grond van artikel 4:1 tot en met 4:4 waarin concreet is aangegeven aan welke instanties en voor welke taken politiegegevens mogen worden verstrekt. Om te voorkomen dat deze regeling zou worden omzeild is in artikel 4:5 van het Bpg geregeld dat bepaalde, met name de meer ‘zachte’, politiegegevens in incidentele gevallen en aan samenwerkingsverbanden niet aan derden mogen worden verstrekt. Dat verbod is blijkens de destijds gegeven toelichting alleen niet van toepassing in gevallen waarin sprake is van een ‘ernstig gevaar voor de gezondheid of het leven van bepaalde personen’. De voorgestelde wijziging wijkt hier in belangrijke mate vanaf en beoogt de mogelijkheden tot verstrekking van (met name) ‘zachte’ politiegegevens in de door artikel 4:5 bestreken situaties in aanzienlijke mate te verruimen.

De Afdeling merkt op dat de voorgestelde wijziging in het licht van het voorgaande het bestek van het tot implementatie strekkende ontwerpbesluit te buiten gaat. Daarbij is van belang dat het hier (deels) om ‘zachte’ politiegegevens gaat waarvoor nu als uitgangspunt geldt dat deze niet aan derden worden verstrekt. Een zorgvuldige afweging dient plaats te vinden van de noodzaak en proportionaliteit van de voorgestelde verruiming, waarin wordt gelet op de aard van deze gegevens en de inbreuk die in geval verstrekking op de persoonlijke levenssfeer van de daarbij betrokken personen plaatsvindt. Daarbij dient tevens te worden bezien hoe de voorgestelde verruiming zich verhoudt tot het in het Bpg neergelegde gesloten systeem van verstrekkingen en voorts of, gelet op de verstrekkende aard van de voorgestelde verruiming, regeling in de wet (met de daaraan inherente parlementaire zeggenschap) in plaats van in een algemene maatregel van bestuur aangewezen is.

De Afdeling adviseert, gelet op het voorgaande, de voorgestelde wijziging te schrappen.

Aan dit advies is geen gevolg gegeven. De Wpg voorziet in een ‘semi-gesloten’ regime voor de verstrekking van politiegegevens aan derden. Dit wil zeggen dat politiegegevens vanwege een zwaarwegend algemeen belang kunnen worden verstrekt aan de belanghebbende personen en instanties die in de wet of het Besluit politiegegevens zijn aangewezen (paragraaf 4 Bpg). Ten behoeve van de flexibiliteit op regionaal of lokaal niveau biedt de Wpg de verwerkingsverantwoordelijke aanvullend de mogelijkheid te beslissen tot het verstrekken van gegevens aan derden. In de eerste plaats kan de verwerkingsverantwoordelijke in bijzondere gevallen beslissen tot het verstrekken van politiegegevens aan andere personen en instanties (artikel 19 Wpg). Dit betreft incidentele verstrekkingen. In de tweede plaats kan de verwerkingsverantwoordelijke besluiten tot het op structurele basis verstrekken van gegevens aan bepaalde partijen in het kader van een samenwerkingsverband (artikel 20 Wpg). De interpretatie van het criterium van de dringende noodzaak in de nota van toelichting blijkt in de praktijk echter ernstig te knellen. Om de politie de mogelijkheid te bieden samen te werken met andere partijen, bijvoorbeeld bij de aanpak van ondermijnende criminaliteit, is een spoedige aanpassing van de interpretatie van voornoemd criterium van essentieel belang. Dit belang noopt ertoe af te wijken van het beginsel van zuivere implementatie (Ar. 9.4) en deze aanpassing mee te nemen in het voorliggende ontwerpbesluit. De verruiming past binnen het systeem van de Wpg, daarvoor is geen wetswijzing vereist. Met de wijziging wordt voorzien in vervanging van het criterium van de dringende noodzaak door dat van de strikte noodzaak, waarbij de mogelijkheid tot verstrekking van bepaalde categorieën van politiegegevens niet zozeer afhankelijk is van de classificatie van die gegevens maar van een zorgvuldige afweging in het concrete geval, waarbij het belang van de verstrekking voor de taak van de betreffende belanghebbende persoon of instantie wordt afgewogen tegen de aard van de betreffende politiegegevens en de daarmee samenhangende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Met de gekozen systematiek wordt invulling gegeven aan de wens van de Afdeling advisering van een zorgvuldige afweging van de noodzaak en proportionaliteit van de verruiming. Als wettelijk toezichthouder zal de Autoriteit persoonsgegevens toezicht kunnen houden op de toepassing van het criterium van de strikte noodzaak door de verwerkingsverantwoordelijke in de dagelijkse praktijk.

2. Doeleinden voor verdere verwerking van strafvorderlijke gegevens na doorzending aan andere lidstaten
Het ontwerpbesluit wijzigt voor welke doeleinden politiegegevens, nadat die zijn doorgezonden aan een andere lidstaat, door de ontvangende bevoegde autoriteit verder mogen worden verwerkt. Twee doeleinden komen te vervallen. Het gaat om de doeleinden ‘andere gerechtelijke en administratieve procedures die rechtstreeks verband houden met de preventie, het onderzoek, de opsporing en de vervolging ter zake van strafbare feiten en de tenuitvoerlegging van straffen’ en ‘een ander doel, slecht na voorafgaande toestemming van de verstrekkende lidstaat of met instemming van de betrokkene’. Eerder waren die doeleinden wel in het Kaderbesluit 2008/977/JBZ opgenomen. Dit besluit is echter door de richtlijn ingetrokken. Volgens de toelichting komen de hiervoor genoemde doeleinden te vervallen om aan de verplichtingen van de richtlijn te voldoen.

De Afdeling merkt op dat de hiervoor genoemde doeleinden voor de verdere verwerking van strafvorderlijke gegevens in artikel 36 van het Bjsg worden behouden. Ook voor deze bepaling geldt dat deze doeleinden volgden uit het ingetrokken Kaderbesluit 2008/977/JBZ. Nu de voormelde doeleinden in het Bpg komen te vervallen om aan de richtlijn te voldoen, roept dit de vraag op waarom artikel 36 van het Bjsg niet ook wordt gewijzigd. In het bijzonder is nog de vraag of het behoud van het doeleinde om gegevens voor ‘een ander doel, slecht na voorafgaande toestemming van de verstrekkende lidstaat of met instemming van de betrokkene’ verenigbaar is met de richtlijn. Hiermee lijkt immers de ruimte te worden geboden om verschillende, nog niet nader gedefinieerde, doeleinden na te streven bij de verdere verwerking van gegevens terwijl persoonsgegevens volgens de richtlijn alleen voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en legitieme doelen mogen worden verzameld en niet op een met die doeleinden onverenigbare wijze mogen worden verwerkt.

De Afdeling adviseert om de verhouding van artikel 36 van het Bjsg tot de richtlijn nader toe te lichten en zo nodig de bepaling aan te passen.

Aan dit advies is gevolg gegeven. Naar aanleiding van dit advies wordt voorgesteld dat artikel 36, vierde lid, Bjsg, vervalt (artikel II, onderdeel K).

3. Voorwaarden voor het doorzenden en doorgeven van politiegegevens aan andere lidstaten en aan derde landen
In artikel 5:3 van het Bpg zijn enkele voorwaarden neergelegd voor de doorzending van politiegegevens aan de andere lidstaten van de EU. Eén van die voorwaarden is dat de doorgezonden politiegegevens door de ontvangende autoriteit in de andere lidstaat worden vernietigd zodra de doeleinden zijn verwezenlijkt. Ook is als voorwaarde opgenomen dat, indien dit uit de Wpg voortvloeit, termijnen kunnen worden gesteld waarbinnen de doorgezonden gegevens moeten worden vernietigd. Dezelfde eisen worden echter niet gesteld bij de doorgifte van gegevens aan derde landen. De vraag is of niet minstens dezelfde beperkende voorwaarden zouden dienen te gelden voor de doorgifte van politiegegevens aan derde landen, als waar het de doorzending van die gegevens aan lidstaten betreft.

De Afdeling adviseert in de toelichting op het bovenstaande in te gaan en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.

Aan dit advies is gevolg gegeven. Naar aanleiding van dit advies zijn de artikelen 5:1 Bpg en 32 Bjsg (artikelen I, onderdeel L, en II, onderdeel F) aangepast. Voorgesteld wordt in deze artikelen een nieuw lid op te nemen, dat voorziet in de voorwaarde tot vernietiging van de doorgezonden gegevens zodra de doeleinden voor de verwerking zijn verwezenlijkt. Tevens is de mogelijkheid opgenomen tot het stellen van termijnen voor de vernietiging van de doorgezonden gegevens.

4. Redactionele bijlage
Aan de redactionele opmerkingen van de Afdeling is, waar aangewezen, gevolg gegeven. Dit heeft geleid tot aanpassing van de artikelen 4:2, tweede lid, Bpg (artikel I, onderdeel E) en 11b eerste lid, Bjsg (artikel II, onderdeel C) in verband met de vervanging van ‘verantwoordelijke’ door ‘verwerkingsverantwoordelijke’. Verder is de wijziging opschrift van artikel 5:1 Bpg (artikel I, onderdeel K), zodat wordt verduidelijkt dat nadere uitwerking is gegeven aan artikel 17a Wpg. Tenslotte is de toelichting op artikel 5:1, vijfde lid, Bpg (artikel I, onderdeel L) aangepast, zodat nadere duiding is gegeven aan de doorgifte van gegevens aan derde landen.

5. Overige wijzigingen
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om artikel III, onderdeel D, te schrappen. De beperking van de mogelijkheid tot verstrekking van politiegegevens door een bijzondere opsporingsdienst aan derden blijkt bij nader inzien minder wenselijk. Hierdoor wordt die mogelijkheid beperkt terwijl het risico, dat de ambtenaren van een Bod gegevens zouden verstrekken aan derden in gevallen waarin de ambtenaren van de politie of de Koninklijke marechaussee zelf deze gegevens niet zouden verstrekken, bij een bijzondere opsporingsdienst niet aan de orde is vanwege de meer centrale aansturing en organisatie van deze opsporingsdiensten.

Van de gelegenheid is tevens gebruik gemaakt om nog enkele redactionele wijzigingen door te voeren in het conceptbesluit en de nota van toelichting. Dit betreft in de eerste plaats wijziging van de naam van de stichting ‘Slachtoffer in Beeld’ in ‘Perspectief Herstelbemiddeling’, in artikel 4:2,eerste lid, onderdeel b, sub 2°, Bpg (artikel I, onderdeel E). Dit betreft in de tweede plaats verheldering van de toelichting op het opschrift van paragraaf 5 (artikel I, onderdelen K) en de artikelen 5:1 (artikel I, onderdeel L), 5:2 (artikel I, onderdeel M), 5:3, (artikel I, onderdeel O), 5:4  (artikel I, onderdeel O), 5:7 (artikel I, onderdeel S), 5:8 (artikel I, onderdeel T), 5:9 en 5:10 (artikel I, onderdeel U) van het Bpg en de artikelen 35 (artikel II, onderdeel J), 36 (artikel II, onderdeel K), 38 (artikel II, onderdeel L) en 39 en 40 (artikelen II, onderdeel M) van het Bjsg.

Ik moge U hierbij, mede namens de Minister van Defensie, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Minister voor Rechtsbescherming


(1) Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ, PbEU 2016, L 118.
(2) Daarover heeft de Raad van State van de Afdeling advisering al advies uitgebracht waarover een nader rapport is verschenen, zie Kamerstukken II, 2017/018, 34889, nr. 4.
(3) Zie de Nota van toelichting, artikelsgewijze toelichting op artikel 4:5 Bpg (Stb. 2007, 550, p. 81). Artikel 9-gegevens worden gericht verwerkt door de politie ten behoeve van een onderzoek met het oog op de handhaving van de rechtsorde in een bepaald geval. Artikel 10-gegevens worden door de politie gericht verwerkt met het oog op het verkrijgen van inzicht in de betrokkenheid van personen bij bepaalde ernstige bedreigingen van de openbare orde.
(4) Toelichting, artikelsgewijze toelichting op Artikel I (Besluit politiegegevens), artikel 4:5 Bpg.
(5) Aanwijzing 9.4 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Ook het uitgangspunt van beleidsneutraliteit, zoals de regering dat bij het wetsvoorstel tot implementatie van de richtlijn heeft aangegeven, wordt door de opname van deze wijziging losgelaten. Zie hiervoor Kamerstukken 2017/18, 34889, nr. 3, Memorie van Toelichting, paragraaf 8, onderdeel I.
(6) Toelichting, artikelsgewijze toelichting op Artikel I (Besluit politiegegevens), artikel 4:5 Bpg. Het gaat om de gegevens bedoeld in artikel 9 en 10 Wpg.
(7) Toelichting op het Bpg, Stb 2007, 550, p. 81.
(8) Artikel 11 van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, PbEU 2008, L 350.
(9) Toelichting, artikelsgewijze toelichting op Artikel I (Besluit politiegegevens), artikel 5:3 Bpg. De toelichting verwijst op dit punt naar artikel 9, vierde lid, van de richtlijn waarin is bepaald dat de voorwaarden die aan de doorzending van gegevens aan andere lidstaten worden gesteld niet mogen afwijken van de voorwaarden die voor een vergelijkbare doorzending binnen een lidstaat gelden.
(10) Het gaat om het, door het ontwerpbesluit vernummerde, vierde lid van artikel 36 van het Bjsg.
(11) Artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de richtlijn.
(12) Artikel 5:3, vijfde lid, Bpg.
(13) Artikel 5:3, zesde lid, Bpg.
(14) Vergelijk ook overweging 36 van de richtlijn.


Gehele tekst ontwerpregeling met toelichting