Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regels ten aanzien van de jacht (Jachtbesluit).


Volledige tekst

Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende regels ten aanzien van de jacht (Jachtbesluit).

Bij Kabinetsmissive van 24 februari 2000, no.00.000876, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting, houdende regels ten aanzien van de jacht (Jachtbesluit).

Het ontwerp-Jachtbesluit (hierna: het ontwerpbesluit) is gebaseerd op de nog niet in werking getreden titel II van hoofdstuk V van de Flora- en faunawet (hierna: de wet), waarin de jacht wordt gereguleerd. Het vervangt een aantal regelingen van verschillend niveau die onder de Jachtwet tot stand zijn gekomen.
De Raad van State maakt naar aanleiding van het ontwerpbesluit een aantal opmerkingen over het niveau van regelgeving en over enkele meer technische aspecten. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit en de nota van toelichting wenselijk is.

1. Artikel 6 van het ontwerpbesluit vermeldt een aantal onderwerpen waarvoor het jachtexamen een toets bevat. Onderscheid wordt daarbij gemaakt tussen het theoretische gedeelte en het praktische gedeelte. Vervolgens bepaalt artikel 7 dat bij ministeriële regeling nadere eisen worden gesteld met betrekking tot de jachtexamens, waaronder ingevolge het derde lid van dat artikel eisen betreffende de inhoud van die examens. De nota van toelichting maakt niet duidelijk waarom het aangewezen is nadere eisen bij ministeriële regeling te stellen, terwijl, gelet op de materie in kwestie, regeling door middel van het Jachtbesluit zelf veeleer de geëigende weg lijkt te zijn. Niet zonder meer valt in te zien waarom de lijn van het huidige regime - neergelegd in artikel 4 van het Besluit eisen jachtexamen, welk artikel de bevoegdheid tot subdelegatie beperkt tot onderwerpen van technisch-uitvoerende aard - niet wordt voortgezet. De Raad adviseert, mede in het licht van aanwijzing 26, eerste lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar), de exameneisen in het Jachtbesluit op te nemen.

2. Artikel 8, derde lid, aanhef en onder c, geeft de mogelijkheid bij ministeriële regeling regels te stellen ten aanzien van de voor de jacht-, valkeniers- en kooikersakten verschuldigde bedragen. De Raad meent dat vanuit een oogpunt van rechtszekerheid de grondslagen voor de voor de akten te betalen geldsom in het besluit zelf thuishoren; de uitwerking kan op een lager niveau plaatsvinden. Een voorbeeld van een dergelijke regeling is die van artikel 10, vijfde lid, van de Visserijwet 1963 met betrekking tot de visakten. Het college wijst erop dat het huidige regime geen subdelegatie kent, omdat in de wet zelf de voor de akten verschuldigde bedragen zijn vermeld.(zie noot 1) De Raad adviseert artikel 8 in het licht hiervan aan te passen.

3. Artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, bepaalt dat bij de berekening van de oppervlakte van een jachtveld niet worden meegerekend openbare, verharde verkeerswegen, niet zijnde grindwegen. Onder het geldende recht wordt geen onderscheid gemaakt en zijn zij deel van het jachtveld. Blijkens de toelichting wordt dit veranderd, omdat het veld tegenwoordig meer dan vroeger kan bestaan uit verharde wegen die geen deel uitmaken van het leefgebied van het wild. Het gevolg van de nieuwe berekeningswijze is dat een aantal kleine jachtvelden die nu nog net wel aan de limiet voldoen, dat na inwerkingtreding van het ontwerpbesluit niet meer doen.
De Raad vraagt zich af of deze strengere norm wel een vereenvoudiging inhoudt zoals blijkens de toelichting is beoogd. Het bepalen van het veld kan hierdoor allerlei ingewikkelde berekeningen vergen. Ook is de reden om verharde wegen van het jachtveld uit te sluiten, namelijk dat de wegen geen deel uitmaken van het leefgebied van het wild, niet zonder meer overtuigend. Wild begeeft zich immers als gevolg van de structuur van het buitengebied ook op verharde wegen. Het maken van een onderscheid tussen bermen en wegen is in zoverre oneigenlijk.
De Raad beveelt aan te overwegen artikel 11, eerste lid, onder c, achterwege te laten, dan wel een vorm van overgangsrecht.

4. In artikel 23 wordt bepaald dat het besluit in werking treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen verschillend kan worden vastgesteld. Waarom het noodzakelijk is te kiezen voor deze bijzondere vorm van inwerkingtreding, waarbij niet het geheel tegelijkertijd in werking treedt, wordt niet gemotiveerd in de toelichting.
Uit een oogpunt van kenbaarheid en inzichtelijkheid van regelgeving is het van belang om inwerkingtredingsbepalingen zo eenvoudig mogelijk te houden. Mede gelet op aanwijzing 180 Ar acht de Raad het noodzakelijk te motiveren waarom deze bijzondere vorm van inwerkingtreding voor alle artikelen en onderdelen van het besluit mogelijk moet worden gemaakt.

5. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.

De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De Vice-President van de Raad van State



Bijlage bij het advies van de Raad van State van 14 april 2000, no.W11.00.0068/V, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.

- De artikelen 5, 6, 12 en 13 zouden met het oog op de eenvoud en de overzichtelijkheid kunnen worden geïntegreerd.
- Artikel 7, derde lid, heeft geen zelfstandige betekenis naast het eerste lid van het artikel.
- In artikel 8, derde lid, "de beslissing" vervangen door: het besluit.
- Artikel 11, eerste lid, onder a, behoeft verduidelijking wat betreft de zinsnede na de woorden 150 meter.



Nader rapport (reactie op het advies) van 21 november 2000


1. Artikel 7 van het ontwerp bepaalt dat nadere eisen met betrekking tot de examens bij ministeriële regeling worden gesteld. De Raad adviseert mede in het licht van aanwijzing 26, eerste lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving, om deze eisen in het Jachtbesluit zelf op te nemen.

Deze opmerking lijkt te berusten op een misverstand. De ministeriële regeling, bedoeld in artikel 7, zal alleen onderwerpen regelen van technische en uitvoerende aard op een gelijke wijze als ingevolge artikel 4 van het Besluit eisen jachtexamen reeds mogelijk was. Omdat de Raad tegen plaatsing van dergelijke regels in een ministeriële regeling blijkens zijn advies geen bezwaren heeft, wordt het advies van de Raad op dit punt niet overgenomen. Wel is de nota van toelichting terzake verduidelijkt.

2. Ten aanzien van artikel 8, derde lid, aanhef en onder c, merkt de Raad terecht op dat de grondslagen voor de geldsommen die voor de verschillende akten verschuldigd zijn, ontbreken. Deze dienen naar zijn mening vanuit het oogpunt van rechtszekerheid in het Jachtbesluit zelf te worden opgenomen. Tegen de reeds voorgestelde uitwerking bij ministeriële regeling heeft de Raad geen bezwaar.

In het licht van deze opmerking is thans in artikel 8, derde lid, van het ontwerp bepaald dat de geldsom die verschuldigd is voor een akte een bijdrage is ter dekking van de kosten van de uitgifte van een akte, alsmede een algemene bijdrage in de kosten van onderzoek en voorlichting op het gebied van jacht, beheer en schadebestrijding.

3. De Raad vraagt zich ten aanzien van artikel 11, eerste lid, aanhef en onder c, af of door het uitsluiten van openbare, verharde verkeerswegen, niet zijnde grindwegen, bij de berekening van de oppervlakte van een jachtveld, het bepalen van de omvang van een jachtveld niet ingewikkelder wordt. Voorts wordt opgemerkt dat het argument dat de bedoelde wegen geen deel uitmaken van het leefgebied van het wild niet zonder meer overtuigend is om uitsluiting bij het berekenen van een jachtveld te rechtvaardigen. Hij wijst er daarbij op dat wild zich als gevolg van de structuur van het buitengebied ook op verharde wegen kan begeven.

In de nota van toelichting is verduidelijkt dat een verharde weg geen functie heeft voor de wildsoorten en dat jagen op de weg tevens ongewenst is. Het meetellen van de oppervlakte van de weg bij het jachtveld ligt daarom niet in de rede. Het achterwege laten van artikel 11, eerste lid, onderdeel c, zoals de Raad voorstelt, is dan ook geen reële optie. Voorts is het niet aannemelijk dat jachtvelden alleen door het uitsluiten van de verharde wegen in dit besluit niet meer zullen voldoen aan de oppervlakte-eisen. In de huidige praktijk onder de Jachtwet wordt het jachtgenot op bedoelde wegen namelijk al niet verhuurd. Tevens is de gemiddelde oppervlakte van een jachtveld zodanig groot dat de bedoelde uitsluiting niet tot gevolg zal hebben dat er sprake is van een jachtveld dat kleiner is geworden dan de minimumoppervlakte van 40 hectare. Gelet hierop acht ik het voorzien in een vorm van overgangsrecht, zoals de Raad adviseert, niet nodig.

4. De Raad verzoekt in het licht van aanwijzing nr. 180 van de Aanwijzingen voor de regelgeving te motiveren waarom een bijzondere inwerkingtredingsbepaling in het ontwerp is opgenomen, waarmee verschillende artikelen of onderdelen van het besluit op een verschillend tijdstip in werking kunnen treden. In reactie hierop is de bedoelde bepaling vervangen door een inwerkingtredingsbepaling die meer gangbaar is. Bij nader inzien hangen de artikelen en onderdelen in het besluit zodanig met elkaar en met de andere algemene maatregelen van bestuur in het kader van de Flora- en faunawet samen dat het uitgesloten is dat te zijner tijd tot gefaseerde inwerkingtreding zal worden overgegaan.

5. De redactionele kanttekeningen, opgesomd in de bijlage bij het advies van de Raad, worden met uitzondering van de opmerking onder het eerste gedachtestreepje over de integratie van artikel 5 en 6, en de opmerking onder het laatste gedachtestreepje met betrekking tot artikel 11, eerste lid, onder a, gevolgd.

In artikel 5 is niet alleen bepaald dat een jachtexamen slechts voor erkenning in aanmerking komt als aan artikel 6 is voldaan, maar ook aan artikel 7 dient te worden voldaan. De aanbevolen integratie van artikelen is derhalve alleen mogelijk indien daarbij ook artikel 7 betrokken wordt.
Dat zou echter tot gevolg hebben dat een artikel ontstaat dat een te groot aantal leden bevat, hetgeen onverenigbaar is met aanwijzing 99, derde lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

Ten aanzien van de tekst van artikel 11, eerste lid, onder a, wordt opgemerkt dat deze rechtstreeks is ontleend aan artikel 2, eerste lid, van de Beschikking van de Minister van Landbouw en Visserij van 20 maart 1978 betreffende de afmetingen waaraan jachtvelden moeten voldoen (Stcrt. 1978, 59). Gelet hierop is nadere verduidelijking van de tekst niet nodig. Tevens wordt gewezen op de schetsvoorbeelden die op particulier initiatief in verschillende handboeken voor de doelgroep zijn opgenomen ter uitleg van de bepalingen over de eisen die ten aanzien van jachtvelden gesteld worden, welke in het kader van het Jachtbesluit van gelijke betekenis blijven.

In artikel 4, tweede lid, van het Besluit is bepaald dat een jachthouder in het bezit dient te zijn van een geldige jacht- of valkeniersakte om schriftelijk toestemming te kunnen verlenen voor de gehele of gedeeltelijke uitoefening, anders dan in zijn gezelschap, van het hem toekomende genot van de jacht.
Abusievelijk is de uitzondering op dit vereiste die artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Jachtwet biedt, indien de toestemming wordt verleend aan een jachtopzichter, in het onderhavige besluit niet geregeld. Derhalve is deze bepaling thans in het vierde lid van artikel 4 opgenomen. Uit redactionele overwegingen is het tweede lid van het ontwerpbesluit gesplitst in twee afzonderlijke leden en wel een tweede en derde lid. In dit kader is in lid 6 van hetzelfde artikel de bepaling opgenomen dat een jachthouder die niet in het bezit is van een geldige jacht- of valkeniersakte schriftelijke toestemming kan verlenen voor de gehele of gedeeltelijke uitoefening, anders dan in zijn gezelschap, van het hem toekomende genot van de jacht, voorzover hem daartoe schriftelijk verlof is verleend door Onze Minister. Deze mogelijkheid bestond reeds op grond van artikel 2 van de Beschikking van de Minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening van 27 juli 1955 (Stcrt. 144) en is eveneens een voortzetting van het huidige beleid. De nota van toelichting is terzake aangevuld.

Voorts wordt van de mogelijkheid gebruik gemaakt om in artikel 22 van het ontwerp de zes wildsoorten, die aangewezen zijn in artikel 32, eerste lid, van de wet te rangschikken in de categorieën grofwild, kleinwild, waterwild en overig wild. Nederland is tot deze rangschikking gehouden op grond van artikel 1 van de Benelux-overeenkomst op het gebied van jacht en de vogelbescherming.

Artikel 22 van het ontwerp heeft zijn basis in artikel 76, eerste lid, van de wet. Het wordt aangemerkt als nadere regel betreffende de jacht - hetgeen een wettelijke en geclausuleerde vrijstelling is van het verbod om dieren te doden - die noodzakelijk is ter uitvoering van een internationale verplichting.

Tevens is een overgangsbepaling opgenomen, waarmee voorkomen wordt dat examenkandidaten die op het moment van inwerkingtreding van de artikelen 38 tot en met 44 van de wet, nog in opleiding zijn om een jachtexamen af te leggen dat wel erkend is onder de Jachtwet maar (nog) niet onder de Flora- en faunawet, geen jachtakte kunnen ontvangen. Mede gelet op het feit dat 16-jarigen aan een jachtexamen als bedoeld in de Jachtwet kunnen deelnemen, maar ingevolge artikel 39, eerste lid, onderdeel a, van de wet de leeftijd van 18 jaar dient te zijn bereikt om voor een jachtakte in aanmerking te kunnen komen, heeft de overgangsbepaling een gelding van twee jaar en zes maanden. Totdat deze periode voorbij is wordt een met goed gevolg afgelegd examen dat in het kader van de Jachtwet was erkend ook aangemerkt als erkend onder de Flora- en faunawet.

Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij



(1) Artikel 18 van de Jachtwet.