Verdrag betreffende deeltijdwerk (Verdrag nr.175, aangenomen door de Internationale Arbeidsconferentie in haar eenentachtigste zitting; Genève, 24 juni 1994 (Trb.1994, 283), met toelichtende nota.


Volledige tekst

Verdrag betreffende deeltijdwerk (Verdrag nr.175, aangenomen door de Internationale Arbeidsconferentie in haar eenentachtigste zitting; Genève, 24 juni 1994 (Trb.1994, 283), met toelichtende nota.

Bij Kabinetsmissive van 24 juli 2000, no.00.004390, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A.E. Verstand-Bogaert, mede namens de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het Verdrag betreffende deeltijdwerk (Verdrag nr.175, aangenomen door de Internationale Arbeidsconferentie in haar eenentachtigste zitting; Genève, 24 juni 1994 (Trb.1994, 283), met toelichtende nota.

Dit verdrag beoogt deeltijdwerkers een gelijke of evenredige rechtspositie te geven als voltijdse werkers. Het gaat onder meer om loonaanspraken, uitkeringsrechten, ontslagbescherming, verlof en de mogelijkheid om de arbeidsduur te wijzigen.
De Raad van State maakt hierbij de volgende kanttekeningen.

1. Bij wettelijke socialezekerheidsregelingen moeten voor deeltijdwerkers voorwaarden gelden die gelijkwaardig zijn aan die voor voltijdse werkers (artikel 6 van het verdrag). In de toelichting op artikel 6 wordt opgemerkt dat de "ambtelijke regelingen (voorzover deze overeenkomen met de wettelijke sociale zekerheid) in overeenstemming [zijn] met het bepaalde in artikel 6 van het verdrag". Artikel 8 maakt het mogelijk uitzonderingen te maken voor deeltijdwerkers met een arbeidsduur die beneden een bepaalde grens ligt, maar uit de toelichting bij dat artikel blijkt dat van deze mogelijkheid geen gebruik wordt gemaakt.
In enkele uitkeringsregelingen voor ambtenaren wordt, bij de bepaling van het recht op uitkering en de hoogte ervan, echter geen rekening gehouden met arbeid die minder dan acht uur per week omvatte.(zie noot 1) In de toelichting dient hierop te worden ingegaan.

2. In de aanbeveling bij het verdrag - die geen bindende maar wel een richtinggevende betekenis heeft - wordt gesignaleerd dat vermeden moet worden dat de aanspraak op uitkering van een uitkeringsgerechtigde die tijdelijk werk in deeltijd aanvaardt, lager wordt.(zie noot 2) Het verdient aanbeveling in de toelichting uiteen te zetten welke maatregelen getroffen of in voorbereiding zijn om bij de belangrijkste socialeverzekeringsregelingen aan deze aanbeveling tegemoet te komen.

De Raad van State geeft U in overweging goed te vinden dat bedoeld Verdrag wordt overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.

De Vice-President van de Raad van State



Nader rapport (reactie op het advies) van 16 november 2000


1. Terecht merkt de Raad van State op dat in enkele werkloosheidsregelingen voor ambtenaren bij de bepaling van het recht op uitkering en de hoogte daarvan, geen rekening wordt gehouden met arbeid die minder dan acht uur per week omvat. De Raad van State wijst in dit verband op artikel 6, tweede en derde lid, van het Rijkswachtgeldbesluit 1959 en artikel 8, tweede en derde lid, van de Uitkeringsregeling 1966.
Omdat de Werkloosheidswet (WW) per 1 januari 2001 zal worden ingevoerd voor het overheidspersoneel en met ingang van deze datum de hier aan de orde zijnde grens van acht uur feitelijk komt te vervallen, ziet het kabinet geen aanleiding om tot aanpassing van de onderhavige regelingen over te gaan.
Daarbij is voorts van belang dat het Verdrag voor Nederland pas in werking zal treden,12 maanden na de datum waarop de ratificatie zal zijn geregistreerd bij de ILO.

2. De Raad van State beveelt aan in de toelichtende nota in te gaan op de wijze waarop wordt tegemoet gekomen aan het onderdeel van de aanbeveling bij het verdrag waarin er bij de lidstaten op wordt aangedrongen maatregelen te nemen om te vermijden dat de aanspraak op uitkering van een uitkeringsgerechtigde die tijdelijk werk in deeltijd aanvaardt, lager wordt. De toelichtende nota van het verdrag is op dit punt aangevuld.

Ik moge U, mede namens de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, verzoeken de Minister van Buitenlandse Zaken te machtigen gevolg te geven aan zijn voornemen het verdrag vergezeld van de gewijzigde toelichtende nota ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen aan de Eerste en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid



(1) Artikel 6, tweede en derde lid, van het Rijkswachtgeldbesluit 1959; artikel 8, tweede en derde lid, van de Uitkeringsregeling 1966.
(2) Artikel 16, onder b, van de aanbeveling.