200505107/1. Datum uitspraak: 22 februari 2006AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de Initiatiefvereniging Peppelensteeg, [appellant A] en [appellant B], gevestigd, respectievelijk wonend te [plaats], tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/2583 van de rechtbank Arnhem van 3 mei 2005 in het geding tussen: appellanten en het college van burgemeester en wethouders van Ede. 1. Procesverloop Bij besluit van 30 juni 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ede (hierna: het college) aan het Centrum voor Wonen, Zorg en Welzijn Oost-Gelderland, gevestigd te Uchelen (hierna: vergunninghouder) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor een termijn van drie jaar, voor de bouw van een niet permanent woongebouw op het perceel Langekampweg ongenummerd te Ede, kadastraal bekend gemeente Ede, nr. 6127 (hierna: het perceel). Bij besluit van 26 oktober 2004 heeft het college, voor zover hier van belang, het daartegen door [appellant A] en [appellant B] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het door de Initiatiefvereniging Peppelensteeg gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 3 mei 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door appellanten daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 6 juni 2005, bij de Raad van State ingekomen op 9 juni 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 13 september 2005 heeft het college van antwoord gediend. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2006, waar [appellant A] in persoon en het college, vertegenwoordigd door H.H. van den Berg, ambtenaar der gemeente, vergezeld van Z.J. Hamer, deskundige, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, vertegenwoordigd door [directeur]. 2. Overwegingen 2.1. [appellant A] en [appellant B] zijn woonachtig op respectievelijk 1,2 km en 1,6 km van het perceel en hebben daarop geen zicht. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college hen terecht niet als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft aangemerkt bij het besluit van 30 juni 2004. Dat hun kinderen in de buurt van het perceel naar school gaan is onvoldoende voor een ander oordeel. 2.2. Het hoger beroep, voor zover ingediend door [appellant A] en [appellant B] is dan ook ongegrond. 2.3. Het bouwplan betreft een woongebouw voor de opvang van dak- en thuislozen. Vaststaat dat het bouwplan in strijd is met de ingevolge het bestemmingsplan "Peppelensteeggebied" ter plaatse geldende bestemming "Recreatieve doeleinden, wielersport (Rw)". Het college heeft met toepassing van artikel 17, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en artikel 45, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet, vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwplan, voor een termijn van drie jaar. 2.4. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, kan het college met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen. Ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet, wordt in een bouwvergunning voor een bouwwerk ten aanzien waarvan artikel 17 van de WRO wordt toegepast, een termijn gesteld, na het verstrijken waarvan het bouwwerk niet langer in stand mag worden gehouden. Ingevolge het vierde lid is de termijn gelijk aan die, waarvoor vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de WRO is verleend. Ingevolge artikel 19, van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening 1985 (hierna: Bro 1985), wordt vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de wet slechts verleend, indien aannemelijk is, dat het beoogde bouwwerk, werk geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid dan wel gebruik niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven respectievelijk voortduren. 2.5. Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 17 van de WRO, evenals artikel 15 van die wet, niet kan worden aangewend indien dit leidt tot een wijziging van de bestemming. Dit betoog faalt. Anders dan artikel 15 van de WRO, dat de mogelijkheid schept om bij een bestemmingsplan te bepalen dat het college vrijstelling kan verlenen van de bij het plan aan te geven voorschriften, kan op grond van artikel 17 van de WRO vrijstelling worden verleend voor een tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan. Aangezien een bestemmingsplan, gelet op het bepaalde in artikel 12, eerste lid, van het Bro 1985, zowel de voorschriften als de bij het plan aangegeven bestemmingen omvat, moet worden geoordeeld dat artikel 17 van de WRO mede mogelijkheid biedt om - tijdelijk - afwijking van de bestemming zelf toe te staan. 2.6. Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vereiste tijdelijkheid van de voorziening voldoende is gewaarborgd. Dit betoog slaagt. 2.6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 27 juni 1995 in zaak nos. H01.95.0029 en H01.95.0034 (Gst. 1996, 7036, no. 6), biedt de omstandigheid dat de verleende vrijstelling voor een maximaal aantal jaren is verleend op zichzelf onvoldoende waarborg dat slechts sprake is van een tijdelijke situatie. Teneinde het tijdelijke karakter te mogen aannemen, dienen daartoe concrete, objectieve gegevens voorhanden te zijn. Bij het ontbreken daarvan is toepassing van artikel 17 van de WRO niet mogelijk. 2.6.2. Hetgeen het college heeft aangevoerd ter onderbouwing van de tijdelijkheid van het bouwwerk, biedt onvoldoende waarborgen dat de opvang van dak- en thuislozen ter plaatse binnen de aangegeven termijn zal worden beëindigd. De voor de duur van drie jaren afgesloten huurovereenkomst voor het perceel, de voor eenzelfde termijn verstrekte subsidiebeschikking en het beheersconvenant bieden op zichzelf onvoldoende zekerheid dat de opvang binnen de wettelijke termijn van maximaal vijf jaren zal worden beëindigd, nu deze na het verstrijken van de termijn kunnen worden verlengd. Dat de noodzaak tot zodanige verlenging en daarmee voortgezette instandhouding van dit bouwwerk zich zal voordoen is geenszins uitgesloten, nu ter zitting is gebleken dat pas recentelijk een onderzoek is gestart naar mogelijke locaties voor de definitieve vestiging van de opvang. Als een geschikte locatie wordt gevonden, zal daarop naar alle waarschijnlijkheid nog een procedure tot herziening van het ter plaatse geldende bestemmingsplan moeten volgen. Gelet op het vorenstaande is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 19 van het Bro 1985. Derhalve kon het college niet met toepassing van artikel 17 van de WRO vrijstelling en bouwvergunning verlenen voor het bouwplan. De rechtbank heeft dit miskend. 2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door appellanten bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar vernietigen. Het college dient opnieuw op de bezwaren te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. 2.8. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 mei 2005, no. AWB 04/2583; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ede van 26 oktober 2004, AJZ/2004/1697; V. gelast dat de gemeente Ede aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 690,00 (zegge: zeshonderdnegentig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat. w.g. Van den Brink w.g. Schortinghuis Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2006 66-422. |