Uitspraak 201109221/1/A1

Datum van uitspraak woensdag 25 april 2012
Tegen het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven
Proceduresoort Hoger beroep
Rechtsgebied Algemene kamer - Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom

201109221/1/A1.
Datum uitspraak: 25 april 2012

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Eindhoven,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 13 juli 2011 in zaak nr. 10/4258 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2010 heeft het college zijn beslissing om op 18 mei 2010 de in de garagebox aan de [locatie] te Eindhoven (hierna: het perceel) aangetroffen hennepkwekerij af te sluiten van de energievoorziening, te ontmantelen en de daaraan gerelateerde zaken uit de garagebox te verwijderen en af te voeren, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college de kosten van de toepassing van bestuursdwang voor rekening van [appellant] gebracht.

Bij besluit van 16 december 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 juli 2011, verzonden op 19 juli 2011, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 augustus 2011, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 maart 2012, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.N.H. Kepers, werkzaam bij de gemeente Eindhoven, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet, zoals deze luidde ten tijde van belang, is het gemeentebestuur bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht

(hierna: de Awb) wordt onder last onder bestuursdwang verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Ingevolge artikel 5:24, tweede lid, vermeldt de last onder bestuursdwang de termijn waarbinnen zij moeten worden uitgevoerd.

Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

Ingevolge artikel 5:31, eerste lid, voor zover hier van belang, kan een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last.

Ingevolge het tweede lid kan, indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekend gemaakt.

2.2. Ingevolge artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, voor zover hier van belang, draagt een ieder die een bouwwerk bouwt, gebruikt, laat gebruiken of sloopt, dan wel een open erf of terrein gebruikt of laat gebruiken, voor zover dat in diens vermogen ligt, er zorg voor dat als gevolg van dat bouwen, gebruik of slopen geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

Ingevolge artikel 2.9.1, sub a, van het Besluit brandveiligheid gebruiken bouwwerken is het verboden in, op, aan of nabij een bouwwerk voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, werktuigen, middelen of voorzieningen te gebruiken of niet te gebruiken, of anderszins belemmeringen op te werpen of hinder te veroorzaken, waardoor brandgevaar wordt veroorzaakt.

Ingevolge artikel 2.52, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 heeft een bestaand bouwwerk een veilige voorziening voor elektriciteit.

2.3. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Tongelre buiten de Ring 2005" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Garageboxen".

Ingevolge artikel 5.1 van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor garageboxen aangewezen gronden bestemd voor gebouwen voor de stalling van auto's en andere voertuigen alsmede voor berging van huisraad.

Ingevolge artikel 5.3.1. is het verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met deze bestemming.

2.4. Vast staat dat is gehandeld in strijd met artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, artikel 2.9.1, sub a, van het Besluit brandveiligheid gebruiken bouwwerken, artikel 2.52, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 en artikel 5.3.1. van het bestemmingsplan, zodat het college ter zake bevoegd was handhavend op te treden.

2.5. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte niet heeft volstaan met het afsluiten van de elektriciteitsvoorziening, faalt dit betoog. Met het enkel afsluiten van de elektriciteitsvoorziening bestaat immers de kans dat een nieuwe aansluiting op het elektriciteitsnet zal worden aangelegd en de exploitatie van de hennepkwekerij zal worden voortgezet. Voorts wordt daarmee geen einde gemaakt aan het handelen in strijd met het bestemmingsplan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 juni 2011 in zaak nr. 201011303/1/H1), omvat, indien de bevoegdheid bestaat om door middel van spoedeisende bestuursdwang handhavend op te treden, die bevoegdheid al hetgeen nodig is om de overtreding ongedaan te maken.

2.6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Hiertoe voert hij aan dat hij niet wist of had kunnen weten dat de garagebox als hennepkwekerij werd gebruikt, omdat hij deze box had onderverhuurd aan [persoon].

2.6.1. Niet in geschil is dat [appellant] ten tijde van de ontmanteling van de hennepkwekerij huurder was van de garagebox en dat hij deze garagebox had onderverhuurd aan [persoon]. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, mag van [appellant] worden gevergd dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik van de door hem verhuurde garagebox. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de enkele stelling van [appellant] dat hij een hennepkwekerij in het gehuurde niet heeft willen toestaan, onvoldoende is, alsook zijn betoog dat hij niet gerechtigd was om de garagebox binnen te gaan. Weliswaar heeft [appellant] ter zitting gesteld dat hij één keer langs de garagebox is gefietst en daar niets verdachts heeft gezien, maar dat is in verband met hetgeen hiervoor is overwogen onvoldoende voor het oordeel dat [appellant] de benodigde zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Daarbij komt dat [appellant] geen bankafschriften met bijschrijvingen van de huursom heeft overgelegd, zodat vermoed kan worden dat huurpenningen contant werden betaald, hetgeen extra aandacht van de verhuurder vereist. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet kon weten dat de garagebox als hennepkwekerij werd gebruikt, zodat het college [appellant] terecht heeft kunnen aanmerken als overtreder.

Het betoog faalt.

2.7. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de kosten op [persoon] had moeten verhalen, omdat zijn gegevens bij het college bekend waren en hij als verdachte is aangemerkt in de strafzaak over de hennepkwekerij, faalt dit betoog. Zoals hiervoor onder 2.6.1. is overwogen, heeft het college [appellant] terecht aangemerkt als overtreder, zodat het college de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang op hem kon verhalen. Dat mogelijk ook [persoon] als overtreder kan worden aangemerkt, doet niet af aan de bevoegdheid van het college om de kosten op [appellant] te verhalen.

2.8. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college misbruik van recht heeft gemaakt door bestuursdwang toe te passen, nu het een taak van de politie is om strafbare feiten op te sporen en de hennepkwekerij te ontmantelen en hij in dat geval geen kosten was verschuldigd, faalt. In het feit dat de hennepkwekerij, behalve door het college, ook door de politie had kunnen worden ontmanteld, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang niet op [appellant] konden worden verhaald.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat.

w.g. Offers w.g. Graaff-Haasnoot
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 april 2012

531-736.