Uitspraak 201002029/1/R2

Datum van uitspraak woensdag 24 april 2013
Tegen de raad van de gemeente Dronten
Proceduresoort Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied Ruimtelijke-ordeningskamer - Bestemmingsplannen Flevoland

201002029/1/R2.
Datum uitspraak: 24 april 2013

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Walibi World B.V., gevestigd te Biddinghuizen, gemeente Dronten,
2. de onderlinge waarborgmaatschappij Coöperatieve Vereniging Bungalowpark De Boschberg U.A., gevestigd te Biddinghuizen, gemeente Dronten, en anderen,
3. het college van burgemeester en wethouders van Elburg,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Oostappen Groep B.V., gevestigd te Asten,
appellanten,

en

de raad van de gemeente Dronten,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2009, kenmerk B09.00873, heeft de raad het bestemmingsplan "Ellerveld (8030)" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Walibi, De Boschberg, het college van burgemeester en wethouders van Elburg (hierna: het college) en Oostappen beroep ingesteld. Walibi World en De Boschberg en anderen hebben hun beroep aangevuld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.
Walibi, het college en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft SBA Projectontwikkeling B.V. een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad en De Boschberg en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 november 2011, waar Walibi, vertegenwoordigd door mr. D.H. Nas, advocaat te Nijmegen, en [directrice], De Boschberg en anderen, vertegenwoordigd door A.J. Veenman en A.W.C. van Veelen, het college, vertegenwoordigd door ir. J.E.M. Raes en ing. J.J. Ruster, beiden werkzaam bij de gemeente Elburg, Cammingha als rechtsvoorganger van Oostappen, vertegenwoordigd door mr. A.C. Clerx, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Bekooy en mr. J.J.M. Pinners, beiden advocaat te Zwolle, E.A. Baas, W. Okken, L. Franken en J. Bouman, zijn verschenen.
Voorts is ter zitting SBA Projectontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door mr. V.M.Y. van 't Lam, advocaat te Amsterdam, en L. Delgado, als partij gehoord.

Bij tussenuitspraak van 29 februari 2012, nr. 201002029/1/T1/R2 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 17 december 2009, kenmerk B09.00873, te herstellen door het nemen van een nieuw besluit. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 19 juni 2012 heeft de raad meegedeeld dat hij nader onderzoek heeft verricht en dat hij bij besluit van 31 mei 2012, kenmerk B12.000638, een partiële wijziging heeft vastgesteld van het bestemmingsplan "Ellerveld (8030)", teneinde de gebreken die in de tussenuitspraak zijn genoemd te herstellen.

Partijen zijn door de Afdeling in de gelegenheid gesteld een zienswijze over het nadere onderzoek en het besluit van 31 mei 2012 naar voren te brengen. Walibi en De Boschberg en anderen hebben een zienswijze naar voren gebracht.

De raad heeft een nader verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2013, waar Walibi, vertegenwoordigd door mr. D.H. Nas, advocaat te Nijmegen, vergezeld door [directrice], en L. Lemmers, werkzaam bij Peutz B.V., en de raad, vertegenwoordigd door E.A. Baas Msc, werkzaam bij de gemeente, vergezeld door ing. A van den Berg, werkzaam bij Tauw B.V., zijn verschenen.
Voorts is ter zitting SBA Projectontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door mr. V.M.Y. van 't Lam, advocaat te Amsterdam, vergezeld door L. Vranken, werkzaam bij Grontmij B.V., en A.J.M. van Beek, als partij gehoord.

Overwegingen

Tussenuitspraak

1. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken het besluit van 17 december 2009, kenmerk B09.00873, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Ellerveld (8030)" te herstellen door met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 2.17 te onderzoeken of voor het nieuwe evenemententerrein geluidgrenswaarden kunnen worden vastgesteld waarmee het gebruik waarvan is uitgegaan in het MER en de Aanvulling MER zal kunnen plaatsvinden en op grond van de uitkomsten van dat onderzoek alsnog toereikend te motiveren dat - uitgaande van die geluidgrenswaarden en het omgevingstype 'rustige woonwijk' - ter plaatse van het toekomstige bungalowpark een aanvaardbaar leefklimaat is gewaarborgd.

Daarnaast heeft de Afdeling de raad opgedragen om het genoemde besluit van 17 december 2009 te wijzigen met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen onder 2.14 en 2.16 en alsnog planregels vast te stellen die het gebruik van het nieuwe evenemententerrein beperken overeenkomstig de uitgangspunten die aan het MER en de Aanvulling MER ten grondslag zijn gelegd.

Tussenconclusie besluit 17 december 2009

2. Gelet op de tussenuitspraak zijn de beroepen van Walibi, De Boschberg en anderen, het college en Oostappen tegen het besluit van 17 december 2009 gegrond. Dit besluit, voor zover dat ziet op de plandelen waaraan de bestemming "Cultuur en ontspanning - Evenemententerrein" (CO-EV) en de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" (R-VR) zijn toegekend, dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Het besluit van 31 mei 2012

3. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de raad nader onderzoek laten verrichten naar de verwachte geluidsbelasting van het nieuwe evenemententerrein op het toekomstige bungalowpark en de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan. De uitkomsten daarvan zijn neergelegd in paragraaf 5.6.1 van de plantoelichting. Voorts is de definitiebepaling van het begrip 'geluidsneutraal' in artikel 1.25 van de planregels vervallen.

Tevens heeft de raad bij besluit van 31 mei 2012 een partiële herziening van het bestemmingsplan "Ellerveld (8030)" vastgesteld. Daarbij zijn onder andere de definitiebepaling van 'evenement' in artikel 1.21 van de planregels aangepast, het begrip 'kleinschalig evenement' in artikel 1.31 van de planregels vervallen en de definitiepalingen vernummerd. Voorts zijn aan artikel 3.1, van de planregels bepalingen toegevoegd inzake het toegestane gebruik van de gronden als evenemententerrein.

4. Het besluit van 31 mei 2012 wordt ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), zoals deze luidden ten tijde van belang, geacht mede onderwerp te zijn van het geding.

5. Ingevolge artikel 1.21 van de planregels wordt thans onder een evenement verstaan: "een tijdelijke activiteit in de openlucht en/of - al dan niet - in tijdelijke onderkomens, gericht op het bereiken van publiek voor commerciële, informerende, educatieve, culturele, sportieve, levensbeschouwelijke of daarmee gelijk te stellen doeleinden."

Artikel 3.1 van de planregels, voor zover van belang, luidt thans als volgt: "De voor 'Cultuur en ontspanning - Evenemententerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van cultuur en ontspanning - evenementen' tevens voor evenementen, waarvoor geldt:

1. het aantal evenementen ten hoogste 25 per jaar bedraagt;

2. het aantal dagen waarop evenementen gehouden worden ten hoogste 38 per jaar bedraagt;

3. het aantal bezoekers per evenement ten hoogste 10.000 bedraagt;

4. evenementen alleen mogen plaatsvinden als er geen evenement wordt gehouden op het evenemententerrein van Walibi World ten noorden van de Spijkweg, waarbij het evenemententerrein faciliterend wordt gebruikt;

5. er geen muziek ten gehore mag worden gebracht;

6. evenementen worden gehouden in de dag- en avondperiode tussen 07.00 - 23.00 uur;

7. een omroepinstallatie met een bronvermogen van maximaal 110 dB(A) gedurende ten hoogste 25 % van de dag- en avondperiode (07.00 - 23.00 uur) in gebruik mag zijn; en

8. parkeren voor bezoekers van de evenementen uitsluitend plaatsvindt ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' op de verbeelding;

b. faciliterende voorzieningen voor grootschalige manifestaties die op het evenemententerrein ten noorden van het plangebied georganiseerd worden, zoals kamperen en parkeren;

c. (...)"

Planregels

6. Walibi betoogt dat met de toegevoegde beperkende planregels niet is aangesloten bij de uitgangspunten van het MER. Hiertoe voert Walibi aan dat in de planregels ten onrechte niet is uitgesloten dat het bestaande noordelijke evenemententerrein van Walibi en het nieuwe terrein gelijktijdig in gebruik mogen zijn. Bovendien klopt volgens Walibi de formulering van artikel 3.1, onder a, sub 4, van de planregels niet of is die op zijn minst onduidelijk, mede omdat faciliterend gebruik van het nieuwe evenemententerrein reeds is toegestaan ingevolge artikel 3.1, onder b, van de planregels.

Daarnaast wijst Walibi erop dat in het MER ervan is uitgegaan dat ‘s nachts geen verkeersbewegingen als gevolg van evenementen op het nieuwe terrein plaatsvinden en dat in het MER daarom geen rekenresultaten wat betreft de verwachte geluidhinder in de omgeving voor de nachtperiode zijn opgenomen. Volgens Walibi is dat uitgangspunt onvoldoende vastgelegd in de planregels, aangezien uit de wijze waarop die zijn geformuleerd niet volgt dat bezoekers van het nieuwe evenemententerrein vóór 23:00 uur zullen zijn vertrokken.

6.1. Anders dan Walibi betoogt, valt in het MER noch in de Aanvulling MER te lezen dat bij het verrichte onderzoek als een van de uitgangspunten is gehanteerd dat het noordelijke bestaande evenemententerrein en het nieuwe evenemententerrein niet gelijktijdig in gebruik zullen zijn. Dat dit wel een uitgangspunt zou zijn van de MER dan wel de Aanvulling MER volgt evenmin uit overweging 2.12.1 van de tussenspraak van de Afdeling van 29 februari 2012. In zoverre mist het betoog dan ook feitelijke grondslag.

6.2. Wat betreft de gestelde onjuiste of onduidelijke formulering van artikel 3.1, onder a, sub 4, van de planregels, overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting is namens de raad toegelicht dat met de gekozen formulering van deze bepaling is beoogd tot uitdrukking te brengen dat het nieuwe terrein uitsluitend niet in gebruik mag zijn voor evenementen gedurende de maximaal 12 dagen dat het nieuwe terrein faciliterend wordt gebruikt voor grootschalige evenementen op het bestaande noordelijke terrein, die vallen onder de niet-representatieve bedrijfssituatie van Walibi. Anders dan de raad stelt vloeit naar het oordeel van de Afdeling de gegeven uitleg over de strekking van deze bepaling niet voort uit de wijze waarop die is geformuleerd. Het betoog treft in zoverre dan ook doel.

6.3. In paragraaf 7.2 van de Aanvulling MER is vermeld dat als gevolg van het nieuwe evenemententerrein maximaal 2.800 verkeersbewegingen in de avondperiode zullen plaatsvinden. Voorts zijn in de tabel in paragraaf 7.3 van de Aanvulling MER voor de nachtperiode geen berekeningen opgenomen van de indirecte geluidhinder (wegverkeer). Uit hetgeen in artikel 3.1, onder a, sub 6, is bepaald omtrent de duur van evenementen op het nieuwe terrein in samenhang met de definitiebepaling van 'evenement' in artikel 1.21 van de planregels vloeit niet voort dat verkeersbewegingen als gevolg van evenementen in de nachtperiode zijn uitgesloten, waarvan in de Aanvulling MER wel is uitgegaan. Ter zitting is namens de raad meegedeeld dat dit een omissie in de planregels betreft. Derhalve slaagt dit betoog.

7. Verder voert Walibi aan dat in de aanhef van onderdeel a van artikel 3.1 van de planregels ten onrechte het woord "tevens" is opgenomen, omdat dit ten onrechte suggereert dat gronden met de bestemming "Cultuur en ontspanning - evenemententerrein" en de aanduiding 'specifieke vorm van cultuur en ontspanning - evenementen' ook gebruik dat past binnen deze bestemming in zijn algemeenheid is toegestaan.

7.1. De Afdeling volgt Walibi niet in het betoog dat taalkundig gezien uit het gebruik van het woord "tevens" in deze bepaling volgt dat ook gebruik dat in zijn algemeenheid passend is binnen de bestemming "Cultuur en ontspanning - evenemententerrein" is toegestaan. Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit de systematiek en formulering van artikel 3.1 van de planregels genoegzaam dat het houden van evenementen - met de daaraan gestelde beperkingen - uitsluitend is toegestaan op gronden waaraan de aanduiding 'specifieke vorm van cultuur en ontspanning - evenementen' is toegekend.

Hierbij is van belang dat de Afdeling de bepalingen van artikel 3.1 van de planregels, in hun onderlinge samenhang bezien, aldus leest dat onderdeel a van artikel 3.1 - door het gebruik van het woord "tevens" - een bijzondere regeling bevat omtrent de toegestane doeleinden ten opzichte van de doeleinden die zijn omschreven in de onderdelen b tot en met p van artikel 3.1. Gronden waaraan de aanduiding 'specifieke vorm van cultuur en ontspanning - evenementen' is toegekend zijn derhalve naast de doeleinden als omschreven in de onderdelen b tot en met p ook bestemd voor de doeleinden als omschreven in onderdeel a van artikel 3.1 van de planregels. Ter zitting is deze lezing van artikel 3.1 van de planregels namens de raad ook bevestigd.

Tussenconclusie besluit 31 mei 2012

8. Gelet op hetgeen is overwogen onder 6.2 en onder 6.3 is het besluit van 31 mei 2012, voor zover dat betrekking heeft op de vaststelling van artikel 3.1, onder a, sub 4 en sub 6, van de planregels, genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van Walibi tegen dit besluit van 31 mei 2012 is gedeeltelijk gegrond. Dit besluit dient in zoverre eveneens wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

8.1. Wat betreft de onder 6.2 en onder 6.3 geconstateerde gebreken in artikel 3.1, onderdeel a, sub 4 en sub 6, van de planregels, ziet de Afdeling aanleiding om overeenkomstig artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak ten aanzien van deze planonderdelen in de plaats treedt van het in zoverre vernietigde besluit. Hierbij betrekt de Afdeling dat het niet aannemelijk is dat de belangen van derden worden geschaad door uitsluitend een verduidelijking aan te brengen in de formulering van artikel 3.1, onder a, sub 4 en sub 6, van de planregels, in overeenstemming met door de raad reeds beoogde beperkingen van het gebruik van het nieuwe evenemententerrein.

8.2. De Afdeling zal hierna bezien of, en zo ja in hoeverre, de rechtsgevolgen van het besluit 17 december 2009 in stand kunnen blijven en of aan het besluit van 31 mei 2012 voor het overige nog gebreken kleven. Hierbij wordt uitgegaan van de tekst van artikel 3.1, onder a, sub 4 en sub 6 van planregels zoals die na deze uitspraak luidt.

Geluidhinder

Onderschatting geluidhinder

9. De Boschberg en anderen wijzen op een passage in het verslag van de raadsvergadering van 10 mei 2012, waarin volgens hen de wethouder erkent dat de feitelijke geluidsbelasting sinds de vigerende milieuvergunning van Walibi uit 1999 is toegenomen en dat dit wordt gedoogd. Omdat in het MER en de Aanvulling MER is uitgegaan van de vergunde situatie geven het MER en de Aanvulling MER hierdoor een onderschatting van de optredende geluidniveaus, aldus De Boschberg en anderen.

9.1. In het MER en de Aanvulling MER is bij de berekening van de (cumulatieve) geluidsbelasting terecht uitgegaan van de geluidsruimte zoals die is opgenomen in de vigerende milieuvergunning van Walibi uit 1999. Tegen eventuele overschrijdingen van de voorschriften van een milieuvergunning dient in beginsel handhavend te worden opgetreden en bij het uitvoeren van een milieueffectrapportage zijn eventuele overtredingen van een milieuvergunning niet maatgevend voor het beoordelen van de verwachte milieueffecten. Reeds hierom faalt dit betoog.

Bij het thans voorliggende plan is bij de berekeningen van de geluidsbelasting wel uitgegaan van de ontwerpvergunning van Walibi zoals die in april 2012 ter inzage is gelegd. Nu deze ontwerpvergunning dateert van bijna 3 jaar na het maken van het MER en de Aanvulling MER kan niet met vrucht staande worden gehouden dat deze beide rapporten ondeugdelijk zijn, omdat met de verruimde geluidsvoorschriften in deze ontwerpvergunning geen rekening is gehouden. In hetgeen De Boschberg en anderen op dit punt hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de nieuwe berekeningen van de geluidsbelasting zoals die in de plantoelichting zijn vermeld een onderschatting van de mogelijke toekomstige geluidsbelasting weergeven.

Uitgangspunten MER

10. De Boschberg en anderen betogen dat het uitgangspunt van het MER, namelijk dat de geluidsbelasting moet voldoen aan de 45 dB(A)-norm voor een 'rustige woonwijk', met het aangepaste plan is losgelaten. In dit kader voeren zij aan dat de geluidgrenswaarden uit de vigerende milieuvergunning van Walibi uit 1999 nog steeds als uitgangspunt zouden moeten gelden wat betreft de maximale geluidsbelasting voor de omgeving. Zij stellen dat in het MER wel een expliciete koppeling is gemaakt met de geluidsruimte in deze milieuvergunning van Walibi. Voorts wijzen zij erop dat door de ontwerpmilieuvergunning voor Walibi uit 2012 de gecumuleerde geluidsniveaus op de grens van het nieuwe bungalowpark omhoog gaan naar waarden die variëren van 50,5 dB(A) tot 69 dB(A). Deze berekende geluidsbelasting wijkt volgens hen zodanig af van de 45 dB(A) waarvan in het MER en de Aanvulling MER is uitgegaan, dat het MER en de Aanvulling MER niet meer aan het plan ten grondslag kunnen worden gelegd.

Daarnaast wijzen De Boschberg en anderen erop dat de vuistregel die in het deskundigenbericht is vermeld, te weten dat de huidige geluidsniveaus in de omgeving alleen gelijk kunnen blijven indien de geluidgrenswaarden voor het nieuwe evenemententerrein minstens 10 dB(A) lager zijn dan de geluidgrenswaarden op de meetpunten die in de vigerende milieuvergunning van Walibi zijn opgenomen, nog steeds van toepassing is.

10.1. Wat betreft de door De Boschberg en anderen aangehaalde vuistregel over het gelijk blijven van de huidige geluidsniveaus, overweegt de Afdeling dat de in het deskundigenbericht vermelde vuistregel was gegeven voor de situatie dat het nieuwe terrein binnen de geluidsruimte van Walibi diende te blijven. Nu door het vervallen van het oorspronkelijke artikel 1.25 van de planregels van die planologische situatie thans geen sprake meer is, is deze vuistregel niet meer van belang.

10.2. De Afdeling volgt De Boschberg en anderen niet in hun stelling dat in het MER en de Aanvulling MER een koppeling is gemaakt met de vigerende milieuvergunning van Walibi uit 1999 in die zin dat daarin als uitgangspunt is genomen dat de geluidruimte die is opgenomen in de huidige milieuvergunning van Walibi als bovengrens dient te gelden voor het nieuwe evenemententerrein. Dat in het MER en de Aanvulling MER bij de berekening van de cumulatieve geluidsbelasting de vigerende milieuvergunning van Walibi wel is betrokken betekent niet dat daarmee ook sprake is van de eerder bedoelde koppeling.

10.3. In de plantoelichting heeft de raad verantwoord waarom - ook zonder een koppeling aan de milieuvergunning van Walibi - de berekende geluidsbelasting ter plaatse van het toekomstige bungalowpark in onderhavig geval aanvaardbaar wordt geacht. In hetgeen De Boschberg en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Zij overweegt hiertoe als volgt.

Ingevolge artikel 3.1, onder a, sub 2, van de planregels mogen maximaal 38 dagen per jaar evenementen worden gehouden op het nieuwe terrein. Als gevolg van deze beperking in de planregels kan een cumulatie van geluid afkomstig van de inrichting van Walibi en het houden van een evenement op het nieuwe terrein derhalve slechts gedurende 38 dagen per jaar optreden.

In de ontwerpvergunning van Walibi uit 2012 is aangesloten bij de 'Handreiking industrielawaai en vergunningverlening'. Tijdens de representatieve bedrijfssituatie van Walibi, waarbij uitsluitend het pretpark normaal in bedrijf is, bedraagt de geluidsbelasting op het toekomstige bungalowpark volgens de plantoelichting maximaal 46 dB(A). Voorts is daarin vermeld dat tijdens de representatieve bedrijfssituatie en het gelijktijdig houden van een evenement op het nieuwe terrein, de cumulatieve geluidsbelasting op het toekomstige bungalowpark maximaal 50,5 dB(A) bedraagt. Bij regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie van Walibi, de zogenoemde '30 dagen-regeling', waarbij het pretpark aangepaste openingstijden en activiteiten heeft dan wel het bestaande noordelijke terrein voor minder luidruchtige evenementen wordt gebruikt, bedraagt de cumulatieve geluidsbelasting van het pretpark en enkel het bestaande evenemententerrein tezamen op het toekomstige bungalowpark maximaal 55 dB(A). In het geval van de regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie van Walibi - zoals hiervoor beschreven - en het gelijktijdig houden van een evenement op het nieuwe zuidelijke terrein, neemt volgens de plantoelichting de cumulatieve geluidsbelasting toe tot maximaal 56 dB(A).

Als beide evenemententerreinen niet gelijktijdig worden gebruikt treedt volgens de plantoelichting de maximale cumulatieve geluidsbelasting van 50,5 dB(A) dan wel 55 dB(A) gedurende 38 dagen respectievelijk 30 dagen per jaar op. Zoals hiervoor onder 6.2 is overwogen is echter niet beoogd om gelijktijdig gebruik van het bestaande en nieuwe evenemententerrein uit te sluiten in de planregels tijdens de regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie van Walibi, zoals opgenomen in haar ontwerpvergunning uit 2012. Als de activiteiten van die 30 dagen-regeling volledig overlappen met de 38 dagen waarop in het plan evenementen zijn toegestaan treedt volgens de plantoelichting de maximale cumulatieve geluidsbelasting van 50,5 dB(A) dan wel 56 dB(A) gedurende 8 dagen respectievelijk 30 dagen per jaar op.

10.4. Uit het voorgaande vloeit voort dat door de opgenomen beperking in de planregels gedurende 285 tot 315 dagen per jaar ter plaatse van het toekomstige bungalowpark de geluidsbelasting - uitsluitend vanwege het pretpark - niet meer zal bedragen dan 46 dB(A). Anders dan De Boschberg en anderen betogen, wijkt deze geluidsbelasting gedurende het merendeel van het jaar naar het oordeel van de Afdeling niet zodanig af van de richtwaarde van 45 dB(A) die wordt gehanteerd voor een 'rustige woonwijk', dat de raad niet in redelijkheid het MER en de Aanvulling MER aan het plan ten grondslag heeft kunnen leggen. Dit geldt temeer nu het in dit geval geluidsbelasting op recreatiewoningen betreft waaraan weliswaar een zekere mate van bescherming tegen geluidhinder toekomt, maar waaromtrent De Boschberg en anderen onvoldoende hebben aangevoerd om tot het oordeel te komen dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat maximaal 46 dB(A) uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, rekening houdend met deze omstandigheid, aanvaardbaar is.

Dat gedurende een aantal dagen per jaar de maximale cumulatieve geluidsbelasting op het toekomstige bungalowpark 50,5 dB(A) tot 56 dB(A) bedraagt geeft geen aanleiding voor een andersluidend oordeel, gelet op de bestemming als recreatiewoningen, het beperkte aantal dagen dat deze geluidsbelasting kan optreden en omdat de berekende cumulatieve geluidniveaus niet onaanvaardbaar hoog zijn.

10.5. Voor zover De Boschberg en anderen betogen dat een maximale geluidsbelasting van 69 dB(A) leidt tot een binnenwaarde in de toekomstige bungalows van 49 dB(A) en dat dit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening - mede omdat niet verwacht mag worden dat recreanten in de zomer deuren en ramen gesloten houden - overweegt de Afdeling als volgt.

10.5.1. De Afdeling wijst er volledigheidshalve op dat de maximale geluidsbelasting van 69 dB(A) met een binnenwaarde van 49 dB(A) geen gevolg is van cumulatie van geluidhinder met evenementen op het nieuwe terrein. Die geluidsbelasting wordt immers volledig veroorzaakt door grootschalige, meerdaagse evenementen op het bestaande noordelijke terrein, dat geen onderdeel uitmaakt van het voorliggende plan.

Wat betreft de verwijzing door de raad naar de uitspraak van 4 augustus 2010 in zaak nr. 200902994/1/R1, overweegt de Afdeling dat aan het gegeven oordeel in die specifieke situatie over de toegestane maximale binnenwaarde niet de betekenis kan worden toegekend die de raad daaraan gehecht wil zien. Zowel de feitelijke situatie als de aard en omvang van de evenementen die in het bestemmingsplan mogelijk werden gemaakt dat in die procedure ter toetsing voorlag, verschillen van de onderhavige zaak. Reeds hierom kan uit de aangehaalde uitspraak niet zonder meer worden afgeleid dat onder andere omstandigheden eveneens een maximale binnenwaarde die niet meer dan 50 dB(A) bedraagt aanvaardbaar is.

10.5.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad door het acceptabel achten van een maximale binnenwaarde van 49 dB(A) etmaalwaarde in de toekomstige recreatiebungalows - gedurende een weliswaar beperkt aantal dagen per jaar - de grenzen verkend van hetgeen uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nog als aanvaardbaar kan worden aangemerkt. Daarbij betrekt de Afdeling hetgeen is overwogen onder 10.5.1 alsmede dat, hoewel die grenswaarden niet direct van toepassing zijn in onderhavig geval, de berekende binnenwaarde de grenswaarden die zijn opgenomen in de Wet geluidhinder omtrent de toegestane binnenwaarde in geluidgevoelige objecten beduidend te boven gaat. De stelling van de raad dat op een aantal bestaande woningen in de omgeving de geluidsbelasting hoger is dan op het toekomstige bungalowpark, maakt dat niet anders aangezien een reeds bestaande situatie niet zonder meer als een maatgevende of aanvaardbare situatie kan worden aangemerkt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Alle omstandigheden in aanmerking nemende komt de Afdeling echter tot het oordeel dat de raad zich in dit geval in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de geluidsbelasting op het toekomstige bungalowpark binnen de grenzen van het aanvaardbare blijft. In dit kader heeft de raad van belang mogen achten dat het gaat om recreatiewoningen, waarbij in de planregels de verplichting is opgenomen dat het toekomstige bungalowpark bedrijfsmatig dient te worden geëxploiteerd en dat tevens een verbod is opgenomen met betrekking tot permanente bewoning. Door deze omstandigheden zal het verblijf op het bungalowpark een relatief kortdurend karakter hebben, waardoor de weliswaar vrij forse geluidsbelasting als gevolg van grootschalige evenementen op het bestaande noordelijke terrein slechts in beperkte mate het leefklimaat van de tijdelijk verblijvende en steeds wisselende personen op het toekomstige bungalowpark zal aantasten. Bovendien kunnen eigenaren hun verblijf ter plaatse afstemmen op de evenementen, terwijl ook bij de verhuur hiermee rekening kan worden gehouden. Voorts heeft de raad bij de belangenafweging in het kader van het plan in aanmerking mogen nemen dat in dit geval het aannemelijk is dat tijdens grootschalige evenementen op het noordelijke terrein een substantieel deel van het bungalowpark door bezoekers van het desbetreffende evenement zal worden bezet.

10.5.3. Gezien het voorgaande geeft hetgeen De Boschberg en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de maximale geluidsbelasting gedurende maximaal 12 dagen per jaar op de recreatiewoningen zodanig hoog zal zijn dat dit vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onacceptabel is.

11. De Boschberg en anderen stellen dat de Libelle Zomerweek ten onrechte in de indicatieve evenementenkalender is opgenomen die als bijlage 2 bij de plantoelichting is gevoegd en waarop het MER is gebaseerd. Dit evenement past niet binnen de gestelde beperkingen in de planregels wat betreft aantal bezoekers en het niet toegestaan zijn van muziek. Het MER is volgens hen daarom ten onrechte aan het plan ten grondslag gelegd.

11.1. De Afdeling overweegt dat de uitgangspunten van het MER weliswaar mede gebaseerd zijn op de indicatieve evenementenkalender, maar in de tussenuitspraak is onder 2.12.1 overwogen dat aan de indicatieve evenementenkalender geen bindende betekenis toekomt, aangezien hiernaar in de planregels niet wordt verwezen. Het raadsbesluit van 31 mei 2012 heeft hierin geen verandering gebracht noch wordt de Libelle Zomerweek vermeld in artikel 3.1 van de planregels. Door de raad is er dan ook terecht op gewezen dat de indicatieve evenementenkalender geen uitputtend overzicht geeft van alle evenementen die feitelijk op het nieuwe terrein zullen plaatsvinden. In zoverre kan aan de omstandigheid dat bepaalde evenementen bij naam worden genoemd in de evenementenkalender derhalve geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Voorts stelt de raad zich terecht op het standpunt dat alle toekomstige evenementen op het nieuwe terrein moeten voldoen aan de gestelde beperkingen in de planregels en dat overtreding daarvan een kwestie van handhaving is, wat in de onderhavige procedure niet aan de orde kan worden gesteld.

Bestaande recreatieparken

12. De Boschberg en anderen wijzen erop dat op recreatieparken De Boschberg en De Bremerberg legaal permanent wordt gewoond. Daarmee is volgens hen onvoldoende rekening gehouden. Zij betogen dat voor de recreatiewoningen op deze recreatieparken de geluidsnorm voor reguliere woningen moet worden gehanteerd. Vanwege cumulatie van de geluidhinder van Walibi en het nieuwe evenemententerrein zal de norm van 45 dB(A) worden overschreden, aldus De Boschberg en anderen.

12.1. In een notitie van 25 oktober 2012, opgesteld door L. Vranken werkzaam bij Grontmij, is vermeld dat in de Aanvulling MER reeds is berekend wat de cumulatieve geluidsbelasting is op de recreatieparken van De Boschberg en De Bremerberg. Uit de tabel op bladzijde 36 van de Aanvulling MER blijkt dat de cumulatieve geluidsbelasting van het nieuwe evenemententerrein in combinatie met de opgenomen activiteiten in de milieuvergunning van Walibi maximaal 41,5 dB(A) zal bedragen. Indien rekening wordt gehouden met de ontwerpvergunning van Walibi uit 2012 zal de cumulatieve geluidsbelasting op recreatieparken De Boschberg en De Bremerberg toenemen tot 38,6 dB(A) in de representatieve bedrijfssituatie en maximaal 44,2 dB(A) in het geval dat gebruik wordt gemaakt van de 30 dagen-regeling van Walibi. Deze bevindingen in de notitie van Grontmij zijn door De Boschberg en anderen niet onderbouwd weerlegd. Het betoog mist in zoverre derhalve feitelijke grondslag.

Bestaande woningen

13. Walibi wijst erop dat het aanvullende geluidsonderzoek dat is verricht naar aanleiding van de tussenuitspraak, ten onrechte is beperkt tot de geluidsbelasting voor het nieuwe bungalowpark. Volgens Walibi dient ook gekeken te worden naar de bestaande woningen, wat ook zou volgen uit de verwijzing in de opdracht naar overweging 2.17 van de tussenuitspraak. Derhalve is niet voldaan aan de opdracht om inzichtelijk te maken dat een aanvaardbaar woonklimaat is gegarandeerd, aldus Walibi.

13.1. Anders dan Walibi betoogt strekt de onderzoeksopdracht die aan de raad is gegeven in de tussenuitspraak zich niet uit tot bestaande woningen. Daarbij wijst de Afdeling erop dat in die opdracht nadrukkelijk is overwogen dat de raad alsnog toereikend dient te motiveren dat ter plaatse van het toekomstige bungalowpark een aanvaardbaar leefklimaat is gewaarborgd. Bij de formulering van de opdracht in de tussenuitspraak heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat vaststaat dat de bestaande bungalowparken verder weg liggen dan het toekomstige bungalowpark en dat hierdoor het toekomstige park maatgevend is wat betreft de geluidsbelasting van het nieuwe evenemententerrein en de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan.

Voor zover Walibi haar betoog baseert op de verwijzing in die opdracht naar overweging 2.17 van de tussenuitspraak, volgt daaruit niet hetgeen Walibi daarin leest. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de eerste alinea van overweging 2.17 enkel betrekking heeft op de mogelijkheden om het nieuwe evenemententerrein te kunnen exploiteren en in de tweede alinea van deze overweging - gelet op het voorgaande - eveneens uitsluitend wordt gesproken over een aanvaardbaar leefklimaat op het toekomstige bungalowpark. Derhalve faalt dit betoog.

14. Verder voert Walibi aan dat bij de beoordeling van de indirecte geluidhinder - van wegverkeer - in het aanvullend geluidsonderzoek dat is verricht naar aanleiding van de tussenuitspraak, ten onrechte geen rekening is gehouden met de bestaande woningen aan de provinciale weg N306 (Spijkweg), terwijl die dichterbij deze doorgaande weg staan dan de toekomstige bungalows. Daarbij verwijst Walibi naar een notitie van Peutz die aan haar nadere zienswijze is gehecht.

14.1. Ten aanzien van dit betoog geldt evenzeer dat in de tussenuitspraak aan de raad op dit punt geen opdracht is gegeven. Reeds hierom kan dit betoog niet slagen. Overigens mist dit betoog feitelijke grondslag, aangezien in paragraaf 7.3 van de Aanvulling MER reeds is bezien wat de indirecte geluidhinder (wegverkeer) bedraagt op bestaande dichtstbijzijnde geluidsgevoelige objecten langs de Spijkweg, te weten de woningen op nr. 24 en nr. 38, alsmede langs de Bremerbergdijk, namelijk de woning op nr. 27.

Veluwemeer

15. Door De Boschberg en anderen wordt de juistheid van het gebruik van 42 dB als grenswaarde voor verstoring van vogelsoorten bestreden. Hierbij wijzen zij op een rapport van Alterra uit 2008, waaruit blijkt dat hiervoor geen grenswaarden kunnen worden vastgesteld. Verder voeren De Boschberg en anderen aan dat in de passende beoordeling ten onrechte geen rekening is gehouden met de windrichting, die van grote invloed is op de ligging van de 42 dB-contour. In de passende beoordeling wordt dan ook ten onrechte geconcludeerd dat als gevolg van het plan geen significante effecten zullen optreden, aldus De Boschberg en anderen.

Walibi betoogt dat significante effecten voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied Veluwemeer als gevolg van verstoring door geluid niet zijn uitgesloten, omdat in het plan geen enkele waarborg is opgenomen om overschrijding van de geluidsnorm te voorkomen. Volgens Walibi blijkt uit de notitie, kenmerk GL/GL/AvdS/FO 2763-3-BR, die in haar opdracht is opgesteld door Peutz B.V. van 25 september 2009 dat de geluidsbelasting op het Veluwemeer hoger zal zijn dan 45 dB(A).

Oostappen wijst erop dat door het plan de 42 dB-contour over een groter deel van het N2000-gebied Veluwemeer komt te liggen en voert aan dat de verstoring door geluid ten onrechte niet tot aanpassing van het plan heeft geleid.

15.1. In de passende beoordeling die is verricht ten behoeve van het plan is vermeld dat geen effecten van geluidsverstoring worden verwacht op de aanwezige habitattypen in het Veluwemeer - dat onderdeel is van het Natura 2000-gebied "Veluwerandmeren" - omdat deze habitattypen niet gevoelig zijn voor verstoring door geluid. De aanwezige vissen in het Veluwemeer worden volgens de passende beoordeling evenmin verstoord door geluid. Er kunnen wel effecten zijn op de kwalificerende vogelsoorten waarvoor het Veluwemeer is aangewezen. Een dosismaat waarop mogelijk hinder optreedt bij vogels is 42 dB. Deze 42 dB-norm is volgens de passende beoordeling afgeleid uit wetenschappelijke publicaties. In het deskundigenbericht is vermeld dat de juiste dosismaat (LAeq, 24uur) is gehanteerd voor het berekenen van de verstoring voor vogelsoorten.

15.2. Voor zover De Boschberg de juistheid van het gebruik van 42 dB als waarde waarbij verstoring van vogelsoorten optreedt, bestrijdt door te verwijzen naar het rapport 'Effecten van geluid op wilde soorten - implicaties voor soorten betrokken bij de aanwijzing van Natura 2000 gebieden' uit 2008, dat is opgesteld door Alterra in opdracht van het toenmalige Ministerie van LNV, overweegt de Afdeling als volgt.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 februari 2012 in zaak nr. 201100875/1/R2) is in de conclusies van dit Alterra-rapport vermeld dat niet zeker is dat het gebruik van de waarde dB(A) geschikt is om de effecten van geluidsbronnen op in het wild levende soorten te meten. Tevens wordt in dit Alterra-rapport geconcludeerd dat uit de destijds beschikbare kennis geen harde grenswaarden of verstoringsafstanden geformuleerd kunnen worden voor Natura 2000-soorten of zelfs voor meer algemene soorten. Tevens is in die uitspraak overwogen dat dit Alterra-rapport een vrij algemene studie is naar de effecten van geluid op diersoorten die dateert van enkele jaren geleden.

Nu de passende beoordeling ten behoeve van het voorliggende plan een concreet onderzoek betreft naar de specifieke verstoringseffecten op vogels van onder andere geluid dat wordt veroorzaakt door het plan, ziet de Afdeling mede gelet op het deskundigenbericht geen aanleiding voor het oordeel dat - gelet op het door De Boschberg en anderen aangehaalde Alterra-rapport - in de passende beoordeling ten onrechte de waarde van 42 dB is gebruikt voor het beoordelen van de mogelijke verstoring van vogelsoorten in het Veluwemeer en dat de raad de bevindingen in de passende beoordeling op dit punt niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

15.3. Voorts hebben De Boschberg en anderen niet aannemelijk gemaakt dat bij het bepalen van de 42 dB-contour onvoldoende rekening is gehouden met de windrichting. Hierbij betrekt de Afdeling dat in het deskundigenbericht is vermeld dat de berekening in het akoestisch onderzoek is uitgevoerd conform het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2006 (hierna: RMG-2006) en dat in het RMG-2006 met het effect van verschillende windrichtingen rekening wordt gehouden door middel van de meteocorrectieterm. Gelet op het voorgaande heeft de raad terecht de 42 dB-contour, zoals die op verschillende afbeeldingen in de passende beoordeling is weergegeven, aan het plan ten grondslag gelegd.

15.4. Uit de passende beoordeling en de Aanvulling MER blijkt dat de 42 dB-contour ter hoogte van een deel van de Bremerbergdijk en de Elburgerbrug over het Veluwemeer ligt en daarmee ook gedeeltelijk binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied "Veluwerandmeren" ligt. In de passende beoordeling is vermeld dat deze verstoring door geluid van vogelsoorten die aanwezig zijn in dit deel van het Veluwemeer vooral wordt veroorzaakt door het huidige verkeer op de N306 en de N309 en dat het extra verkeer dat wordt gegenereerd door het nieuwe evenemententerrein en het toekomstige bungalowpark daaraan geen significante bijdrage levert. Dit wordt bevestigd in de Aanvulling MER, waarin is vermeld dat uit de gemaakte geluidsberekeningen valt af te leiden dat door de autonome groei van het verkeer de geluidsbelasting in 2020 met circa 2 dB stijgt en dat het plan maximaal 0,1 dB bijdraagt aan de toename van de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer. Volgens de Aanvulling MER is deze toename als verwaarloosbaar klein te beschouwen. Oostappen wijst terecht op het feit dat door toename van de verkeerintensiteiten als gevolg van de autonome groei en het voorliggende plan de 42 dB-contour verder binnen de begrenzing het Veluwemeer komt te liggen, maar gezien het voorgaande heeft Oostappen niet aannemelijk gemaakt dat het plan daaraan een significante bijdrage levert.

In de passende beoordeling is vermeld dat geen negatief effect wordt verwacht op de aanwezige watervogels, omdat de geluidsverstoring lokaal optreedt. Op het grootste gedeelte van het Natura 2000-gebied "Veluwerandmeren" treden geen effecten op volgens de passende beoordeling en derhalve blijft het foerageer- en rustgebied voor de aanwezige watervogels bestaan. In hetgeen De Boschberg en anderen, Oostappen en Walibi hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om aan die conclusie in de passende beoordeling te twijfelen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de 42 dB-contour over een zeer klein deel van het Veluwemeer ligt en over een nog kleiner deel van het Natura 2000-gebied "Veluwerandmeren". Dat de verstoring door geluid als gevolg van het plan significant zou zijn blijkt ook niet uit de conclusies van de passende beoordeling noch uit de Aanvulling MER.

De verwijzing door Walibi naar de notitie van Peutz geeft geen aanleiding voor een andersluidend oordeel, nu in die notitie geen conclusies zijn opgenomen ten aanzien van de gestelde onjuistheid van de geluidsbelasting op het Veluwemeer.

15.5. Voor zover De Boschberg en anderen betogen dat in de passende beoordeling ten onrechte geen rekening is gehouden met de mogelijkheid dat de roerdomp en de grote karekiet broeden in of nabij de oever van het Veluwemeer die grenst aan het plangebied en ook geen rekening is gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen voor deze vogelsoorten, overweegt de Afdeling dat in de passende beoordeling is vermeld dat voor de broedvogelsoorten grote karekiet en roerdomp, uitbreiding van omvang en/of verbetering kwaliteit van het leefgebied het doel is en is bij de beoordeling van de effecten van het plan daarmee rekening gehouden. Anders dan De Boschberg en anderen betogen zijn derhalve in de passende beoordeling de instandhoudingsdoelstellingen voor deze soorten betrokken.

Wat betreft de mogelijkheid dat de grote karekiet en de roerdomp nabij het plangebied broeden, overweegt de Afdeling dat in de passende beoordeling is vermeld dat de grote karekiet en roerdomp niet als broedvogel in de kilometerhokken in en rondom het plangebied zijn waargenomen. In de oever aan de overzijde van het Veluwemeer is de grote karekiet wel aangetroffen als broedvogel. Verder is in de passende beoordeling vermeld dat zowel de grote karekiet als de roerdomp broeden in oevers met voldoende (water)riet en dat de rietkragen langs het Drontermeer de best ontwikkelde rietvegetaties zijn. Dit zijn ook de locaties waar de grote karekiet en roerdomp volgens de passende beoordeling broeden. Deze bevindingen zijn door De Boschberg en anderen niet weersproken en zij hebben geen nadere onderbouwing gegeven waaruit zou blijken dat de oever van het Veluwemeer nabij het plangebied geschikt is als broedgebied voor de grote karekiet of de roerdomp. De overgelegde foto’s van een deel van de desbetreffende oever zijn daartoe onvoldoende. Anders dan De Boschberg en anderen betogen vloeit uit de bepalingen van de Natuurbeschermingswet 1998 niet zonder meer de verplichting voort om dat deel van de oever van het Veluwemeer geschikt te maken als broedgebied voor deze vogelsoorten.

Gelet hierop ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de bevindingen in de passende beoordeling op dit punt niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

Ecologische Hoofdstructuur

16. Oostappen voert aan dat het plan leidt tot aantasting van de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) vanwege de toename van de geluidsbelasting op de omliggende EHS.

16.1. Ooststappen heeft de stelling van de raad dat de het plangebied geen onderdeel uitmaakt van de EHS niet weersproken. Voorts is in de Aanvulling MER vermeld dat de grootste delen van de EHS rondom het plangebied reeds een verstoring door geluid ondervinden in de bestaande situatie en dat door de beperkte toename van het door geluid verstoorde oppervlakte van de EHS de aanwezige waarden niet worden aangetast.

Gelet op het voorgaande en nu Oostappen geen nadere onderbouwing heeft gegeven waaruit het tegendeel blijkt, ziet de Afdeling geen aanleiding om het standpunt van de raad dat het plan de EHS niet zal aantasten, onjuist te achten.

Wegverkeer

17. De Boschberg en anderen betogen dat de geluidsbelasting op hun recreatieparken vanwege wegverkeer op de Bijsselseweg en Bremerbergdijk wordt onderschat in het MER. Hiertoe voeren zij aan dat in het MER volgens hen geen rekening is gehouden met het feit dat de Bremerbergdijk een klinkerweg is, wat voor meer verkeersgeluid zorgt. Ter onderbouwing van dit betoog verwijzen zij naar het rapport 'Geluidhinder Bremerbergdijk' van 6 april 2010, dat in opdracht van coöperatieve vereniging De Boschberg is opgesteld door HBL Adviesgroep B.V. (hierna: het HBL-rapport).

17.1. Het betoog dat in de geluidsberekeningen die ten grondslag zijn gelegd aan het MER niet de omstandigheid is betrokken dat het wegdek van de Bremerbergdijk uit straatklinkers bestaat mist feitelijke grondslag. In het deskundigenbericht is vermeld dat, in overeenstemming met het RMG-2006, in het gebruikte rekenmodel "Geonoise" een toeslag is opgenomen voor dit type wegdek.

Hetgeen in het HBL-rapport is vermeld over de gestelde onvolledigheden of onjuistheden in het akoestisch onderzoek dat aan het MER ten grondslag is gelegd, geeft geen aanleiding om de bevindingen over de berekende geluidsbelasting in het MER in twijfel te trekken. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, ondanks het gegeven dat in het HBL-rapport bij de geluidberekeningen Standaardrekenmethode I is gebruikt in plaats van Standaardrekenmethode II zoals in het MER is geschied, dat in het HBL-rapport wordt uitgegaan van een aanzienlijke grotere verkeerstoename dan in het MER alsmede dat in beide rapporten de geluidsbelasting is berekend op verschillende beoordelingspunten. In het deskundigenbericht is vermeld dat de berekende geluidsbelasting - na correctie voor deze verschillen - vergelijkbaar is.

17.2. Nu de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet geldt voor de bestaande (recreatie)woningen langs de Bijsselseweg en Bremerbergdijk, diende de raad een afweging te maken over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de geluidstoename die wordt veroorzaakt door het plan.

Uit de berekeningen in het MER en de Aanvulling MER blijkt weliswaar dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB als bedoeld in artikel 82, eerste lid, van de Wet geluidhinder reeds in de bestaande situatie wordt overschreden en dat de geluidsbelasting op de (recreatie)woningen langs de Bijsselseweg en Bremerbergdijk na realisering van het plan ten hoogste 55 dB bedraagt. Deze toename is volgens de Aanvulling MER bijna volledig het gevolg van de autonome groei van het autoverkeer. In de Aanvulling MER is vermeld dat de autonome groei van het wegverkeer in 2020 tot een toename van de geluidsbelasting van ongeveer 2 dB leidt en dat het voorliggende plan daaraan maximaal 0,1 dB bijdraagt. Dat de in het MER berekende bijdrage van het plan aan de totale toename van de geluidsbelasting op de (recreatie)woningen aan de Bijsselseweg en Bremerbergdijk groter zou zijn, valt niet te lezen in de conclusies van het HBL-rapport. Mede gelet op het deskundigenbericht ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het voorliggende plan tot een wezenlijke toename van de geluidsbelasting vanwege wegverkeer zal leiden voor de bestaande (recreatie)woningen langs de Bijsselseweg en de Bremerbergdijk.

Gezien de beperkte toename van de geluidsbelasting als gevolg van het plan en gelet op de maximale geluidsbelasting die is berekend, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toename van de geluidsbelasting als gevolg van het plan aanvaardbaar is.

Woningen N309-N310

18. Het college voert aan dat in het geluidsonderzoek van het MER ten onrechte niet de geluidsbelasting is bezien op de woningen in de kernen van Doornspijk, Oostendorp en 't Harde, die langs de N309 en de N310 liggen. Volgens het college staat dan ook niet vast dat de verkeerstoename als gevolg van het plan niet tot een toename van de geluidhinder of overschrijding van de grenswaarden in deze kernen zal leiden.

18.1. In het akoestisch onderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het MER is onderzoek gedaan naar de geluidsbelasting vanwege wegverkeer op het toekomstige bungalowpark alsmede naar de geluidsbelasting op de bestaande woningen die in de directe omgeving van het plangebied staan, onder andere langs de Bijsselseweg, de Bremerbergdijk en de Spijkweg. De kernen van Doornspijk, Oostendorp en 't Harde liggen hemelsbreed op een afstand van minstens 3 tot 6,5 kilometer van het plangebied en de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer die wordt veroorzaakt door het plan op de woningen in die kernen is in het MER niet onderzocht.

Voor zover het college betoogt dat mogelijk de wettelijke (voorkeurs)grenswaarden als bedoeld in artikel 82, eerste lid, en artikel 83, eerste lid, van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) zullen worden overschreden, overweegt de Afdeling dat de Wgh niet van toepassing is op de bestaande woningen in de kernen Doornspijk, Oostendorp en ’t Harde. Gelet op de omstandigheid dat zoals onder 22.2 wordt overwogen het plan aan de bestaande verkeersintensiteiten op de N309 slechts een beperkte bijdrage levert, heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat deze beperkte verkeerstoename tot een onaanvaardbare toename van de geluidsbelasting op de bestaande woningen in deze kernen leidt.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte de geluidsbelasting op de bestaande woningen in eerdergenoemde kernen niet is betrokken en dat de raad het MER op dit punt niet aan het plan ten grondslag heeft mogen leggen.

Lichthinder

19. De Boschberg en anderen voeren aan dat de toename van het verkeer op de Bremerbergdijk als gevolg van het plan leidt tot aanzienlijke verstoring van het Veluwemeer door verlichting door koplampen. Volgens hen is in het MER dan ook ten onrechte vermeld dat geen lichtverstoring van het Veluwemeer plaatsvindt.

19.1. De Afdeling ziet in hetgeen De Boschberg en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding om de raad niet te volgen in het standpunt dat geen noemenswaardige lichtverstoring van het Veluwemeer zal optreden als gevolg van het plan. In dit verband is van belang dat de weg op de Bremerbergdijk parallel aan de oever van het Veluwemeer loopt en blijkens de verbeelding de afstanden van de weg op de Bremerbergdijk tot het Veluwemeer variëren van ongeveer 50 tot 80 meter. Nu de stelling van de raad dat de lichtuitstraling van koplampen beperkt blijft tot ongeveer 5 meter buiten de rijbaan niet is weersproken, hebben De Boschberg en anderen niet aannemelijk gemaakt dat het verkeer op de Bremerbergdijk tot lichtverstoring zal leiden. Voor zover zij betogen dat de koplampen van auto’s die afkomstig zijn van het nieuwe bungalowpark over het Veluwemeer zullen schijnen, overweegt de Afdeling dat dit gezien de afstand van de beoogde uitrit tot het Veluwemeer en het kortstondige en zeer lokale karakter van deze mogelijke lichthinder, geen aanleiding geeft om het MER op dit punt onjuist te achten. Daar komt bij dat door De Boschberg en anderen niet is bestreden dat ter plaatse van de beoogde uitrit van het toekomstige bungalowpark hoge bomen met onderbegroeiing aanwezig zijn die een afschermende werking hebben voor deze eventuele lichtverstoring.

Verkeersaspecten

Verwachte verkeersintensiteiten

20. Het college en Oostappen betogen dat in de Aanvulling MER bij de verwachte verkeersintensiteiten ten onrechte niet langer rekening is gehouden met het verkeer dat de bestaande evenementen op het noordelijke terrein veroorzaken, omdat in de Aanvulling MER is vermeld dat deze verkeersintensiteiten niet tot het planvoornemen, maar tot de autonome ontwikkelingen behoren.

20.1. In de Aanvulling MER is vermeld dat in het MER ten onrechte is uitgegaan van verkeerscijfers van evenementen op het nieuwe evenemententerrein in het plangebied tezamen met de evenementen op het bestaande noordelijke evenemententerrein, omdat deze bestaande evenementen niet tot het planvoornemen behoren, maar tot de autonome ontwikkeling. Hierdoor wijzigen volgens de Aanvulling MER de verkeerscijfers voor het planvoornemen, waarbij niet langer rekening wordt gehouden met een grootschalig evenement op het noordelijke terrein met 25.000 bezoekers. In de Aanvulling MER is daarom wat betreft het voorliggende plan uitgegaan van een evenement met 10.000 bezoekers.

In de Aanvulling MER is terecht gesteld dat de verkeersbewegingen ten gevolge van het bestaande evenemententerrein niet mogelijk worden gemaakt door het voorliggende plan, maar worden veroorzaakt door de bestaande situatie en derhalve dienen te worden beschouwd als onderdeel van de autonome situatie. Uit paragraaf 6.1 van de Aanvulling MER blijkt dat de huidige evenementen op het bestaande noordelijke terrein wel zijn betrokken in de beschouwing van de autonome verkeersontwikkelingen, waaronder de piekbelastingen tot 2020.

Nu in artikel 3.1, onder a, sub 3, van de planregels is bepaald dat het aantal bezoekers per evenement ten hoogste 10.000 bedraagt, is het uitgangspunt in de Aanvulling MER in zoverre in overeenstemming met de maximale gebruiksmogelijkheden van het nieuwe evenemententerrein die door dit plan mogelijk worden gemaakt. In hetgeen het college en Oostappen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de wijze waarop in de Aanvulling MER de verkeersbewegingen als gevolg van het bestaande evenemententerrein in de verwachte verkeersintensiteiten zijn betrokken.

Traject N309 tot A28

21. Het college betoogt dat in het verkeersonderzoek de verwachte verkeersintensiteiten op het traject van de N309 tussen de Elburgerbrug en de rijksweg A28 onjuist zijn berekend. Daarbij wijst het college erop dat de vermelde verkeersintensiteiten in de Aanvulling MER met betrekking tot wegvak 22 sterk afwijken van de gegevens van het provinciale permanente telpunt en dat een wegvak buiten de bebouwde kom van ’t Harde en de rijksweg A28 (de Eperweg) ontbreekt in de verkeersberekeningen.

21.1. In het deskundigenbericht is vermeld dat het verschil tussen de verkeersintensiteiten voor wegvak 22 die in de Aanvulling MER zijn vermeld en de provinciale telgegevens wordt veroorzaakt doordat in de Aanvulling MER de etmaalintensiteiten zijn gemiddeld, waarbij niet alleen werkdagen zijn betrokken maar ook weekenden en feestdagen. Daarnaast is de lengte van het bewuste wegvak van de N309 in de Aanvulling MER langer dan het traject waar de provinciale telgegevens op zijn gebaseerd. Tevens is in het deskundigenbericht vermeld dat geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat de verwachte verkeersintensiteiten op wegvak 22 onjuist zijn onderzocht. In hetgeen het college heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen reden om het deskundigenbericht op dit punt niet te volgen.

Wat betreft de stelling dat het wegvak van de N309 tussen de bebouwde kom van ’t Harde en de A28 ten onrechte buiten beschouwing is gelaten in het MER, overweegt de Afdeling dat uit figuur 5.2 op bladzijde 35 blijkt dat dit wegvak - in de figuur aangeduid als wegvak 24 - wel in het verkeersonderzoek is betrokken. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat in de tabellen van het akoestisch onderzoek, waarin de verkeerintensiteiten op de diverse aanvoerwegen - waaronder de N309 - zijn bezien, ook de verkeersintensiteiten op het bewuste wegvak 24 zijn vermeld. Dat dit wegvak van de N309 tussen ’t Harde en de A28 is betrokken in het verkeersonderzoek is namens de raad ook bevestigd in een bijlage bij het deskundigenbericht. In zoverre mist het betoog feitelijke grondslag.

Doorstroming N309

22. Het college betoogt voorts dat zowel zonder als met evenementen op de N309 sprake is van doorstromingsproblemen, die variëren van hinder tot files. De evenementen op het nieuwe terrein zullen leiden tot een extra piekbelasting op de N309. Volgens het college dienen de huidige doorstromingsproblemen te zijn opgelost voordat het onderhavige plan doorgang kan vinden. Daarbij is volgens het college ten onrechte geen rekening gehouden met het gegeven dat de kruispunten en knooppunten op de N309 de belangrijkste knelpunten zijn in de doorstroming op deze weg.

Verder komt volgens het college aan de verwijzing naar de verkeersplannen van de provincie Gelderland geen betekenis toe, omdat deze plannen niet concreet zijn en het mogelijk nog 10 jaar zal duren voordat deze toekomstige plannen zullen worden gerealiseerd. Hiermee mocht dan ook geen rekening worden gehouden, aldus het college.

22.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in de bestaande situatie reeds doorstromingsproblemen bestaan op de N309 en dat door het voorliggende plan deze problemen vaker zullen optreden. Daarnaast ontstaan op meerdere wegen - waaronder de N309 - doorstromingsproblemen op zomerse weekenddagen wanneer tevens een evenement wordt gehouden. Die situatie zal zich volgens de Aanvulling MER maximaal enkele keren per jaar voordoen. Het plan draagt weliswaar bij aan de verkeershinder op de N309, maar het aandeel daarin is volgens de raad beperkt. Het is niet reëel om het oplossen van de regionale verkeersproblemen volledig af te wentelen op de ontwikkelingen in het onderhavige plan. In het MER zijn wel verkeersmaatregelen vermeld die de verkeershinder als gevolg van het plan moeten beperken. Dit zijn deels maatregelen aan de infrastructuur en deels maatregelen op het gebied van verkeersmanagement, aldus de raad.

22.2. Het betoog van het college miskent dat het voorliggende plan, noch de daaraan ten grondslag gelegde MER en Aanvulling MER, dienen te voorzien in een oplossing voor de bestaande doorstromingsproblemen op de N309. Ter beoordeling van de Afdeling staat slechts of het plan niet leidt tot een onaanvaardbare toename van de doorstromingsproblemen op de N309 ten gevolge van het extra verkeer dat het nieuwe evenemententerrein en toekomstige bungalowpark zullen genereren.

In de plantoelichting is vermeld dat bij een evenement met 10.000 bezoekers op het nieuwe terrein ongeveer 5.600 voertuigbewegingen per etmaal (hierna: mvt/etmaal) zullen plaatsvinden en dat het toekomstige bungalowpark maximaal 900 mvt/etmaal genereert tijdens piekbelastingen. Gelet op de verkeersintensiteiten op de N309 in de bestaande situatie, waarvan het jaargemiddelde varieert van 6.500 tot 12.700 mvt/etmaal en het gemiddelde op werkdagen 7.000 tot 14.000 mvt/etmaal bedraagt, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan aan de bestaande verkeersintensiteiten een beperkte bijdrage levert. Daarbij is van belang dat niet alle verwachte extra verkeersbewegingen als gevolg van het plan uitsluitend over de N309 richting Elburg zullen worden afgewikkeld, maar ook over onder andere de N306, N305 en de N302. Bovendien is in de planregels vastgelegd dat het nieuwe evenemententerrein maximaal 38 dagen per jaar in gebruik mag zijn. Anders dan het college betoogt zijn blijkens de plantoelichting in het verkeersonderzoek de diverse kruispunten wel beschouwd bij de beoordeling van de effecten op de verkeersdoorstroming op de N309.

Nu uit hetgeen onder 21.1 is overwogen niet is gebleken dat de verwachte verkeersintensiteiten op de N309 verkeerd zijn berekend en mede gelet op het deskundigenbericht, heeft het college gezien het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat de in het plan voorziene ontwikkelingen tot onaanvaardbare toename van de doorstromingsproblemen van het verkeer op de N309 zullen leiden.

22.3. Wat betreft de gestelde onzekerheid over de verkeersplannen van de provincie Gelderland, overweegt de Afdeling dat in het MER weliswaar de uitbreiding van de capaciteit op knelpunten, zoals de kruispunten van de N306 met de N302 respectievelijk de N309, wordt genoemd als een van de mogelijkheden om de verkeersbelasting te beperken, maar dat in het MER niet de conclusie wordt getrokken dat zonder het treffen van dergelijke infrastructurele verkeersmaatregelen het plan tot onaanvaardbare verkeersoverlast zal leiden. Dit betoog treft in zoverre dan ook geen doel.

Het treffen van andersoortige verkeersmaatregelen tijdens evenementen zoals de wijze waarop de verkeerslichten zijn afgesteld, het inzetten van verkeersregelaars, het instellen van omleidingsroutes en het bevorderen van het gebruik van openbaar vervoer - voor zover deze maatregelen kunnen worden getroffen binnen het plangebied - hebben geen betrekking op het plan zelf, maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen.

Doorstroming N310

23. Het college voert aan dat uit tabel 5.3 in de plantoelichting blijkt dat over de N310 een substantiële hoeveelheid evenementenverkeer zal rijden. Volgens het college gaat het daarbij om ongeveer 3.000 mvt/etmaal en is dat niet verwaarloosbaar gezien de verkeersintensiteit van ongeveer 10.000 mvt/etmaal op een gemiddelde werkdag. De raad stelt zich dan ook ten onrechte op het standpunt dat weinig evenementenverkeer over de N310 zal rijden, aldus het college.

23.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in het verweerschrift inzichtelijk gemaakt dat het betoog van het college berust op een onjuiste lezing van tabel 5.3 in de plantoelichting. Door het college is ook anderszins de getrokken conclusie uit tabel 5.3 bij gebrek aan een nadere onderbouwing niet aannemelijk gemaakt, omdat het gezien de bestaande wegenstructuur niet voor de hand ligt dat bijna de helft van het totale verkeer dat het plan kan genereren de N310 als ontsluitingsroute zal kiezen.

Daarnaast is door de raad onderkend dat een klein deel van het verkeer dat wordt gegenereerd door evenementen op het nieuwe terrein over de N310 zal rijden. Vaststaat dat in het verkeersonderzoek van het MER de toename van de verkeersintensiteiten op de N310 niet is betrokken. Dit geeft echter geen reden om het MER op dit punt onvolledig of onjuist te achten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het deskundigenbericht is vermeld dat de route langs Harderwijk over de N306 en N302 en de route langs Elburg over de N306 en N309 de belangrijkste aan- en afvoerroutes zijn voor verkeer tussen het plangebied en de A28, hetgeen door het college niet is weersproken. Dat de route langs de N306 en de N310 een belangrijke aan- en afvoerroute zal vervullen voor het verkeer dat wordt gegenereerd door het plan is niet gebleken. De Afdeling ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat in het MER de verwachte toename van de verkeersintensiteiten op de N310 hadden moeten worden bezien.

Dat het plan tot enige toename van de verkeersintensiteiten op de N310 zal leiden acht de Afdeling niet uitgesloten, maar door het college is niet aannemelijk gemaakt dat het verkeer dat wordt veroorzaakt door het plan tot onaanvaardbare doorstromingsproblemen op de N310 zal leiden.

Bereikbaarheid

24. Oostappen en De Boschberg en anderen betogen dat de toename van verkeer zal leiden tot een onacceptabele vermindering van de bereikbaarheid van hun recreatieparken. Daarbij wijst Oostappen erop dat de voorgestelde verkeersmaatregelen niet zijn vastgelegd in het plan.

24.1. Uit het verkeersonderzoek in het MER blijkt dat tijdens het gebruik van het nieuwe evenemententerrein op de aan- en afvoerwegen rondom het plangebied een toename van de verkeershinder en filevorming valt te verwachten. Zoals hiervoor onder 22.2 is overwogen heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan aan de bestaande verkeersintensiteiten op de ontsluitingswegen slechts een beperkte bijdrage levert.

24.2. De ingang van het recreatiepark van Oostappen ligt weliswaar aan een van de verkeersroutes naar het plangebied - aan de N306 (Spijkweg) - maar Oostappen heeft niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van evenementen haar recreatiepark onbereikbaar zal worden. Daarbij betrekt de Afdeling dat de enige ingang naar haar recreatiepark op ongeveer 2,5 kilometer van het toekomstige evenemententerrein ligt en dat het maximale aantal van 10.000 bezoekers volgens het MER ongeveer 2.800 auto’s aantrekt, die 5.600 mvt/etmaal genereren. Dat dit aantal auto’s een dusdanige filevorming zal veroorzaken op de N306 of de andere ontsluitingswegen, waardoor het recreatiepark van Oostappen onbereikbaar zal worden, kan zonder nadere onderbouwing niet worden gevolgd. Dat bezoekers van haar recreatiepark mogelijke enige verkeershinder zullen ondervinden bij het bereiken of verlaten van haar recreatiepark tijdens evenementen valt niet uit te sluiten, maar geeft op zichzelf geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.

Wat betreft het betoog dat de voorgestelde verkeersmaatregelen om de verwachte verkeershinder te verminderen niet zijn vastgelegd in de planregels verwijst de Afdeling kortheidshalve naar hetgeen onder 22.3 is overwogen en dit betoog treft dan ook geen doel.

24.3. Met betrekking tot de gestelde mogelijkheid dat de recreatieparken De Boschberg en De Bremerberg moeilijk bereikbaar zullen zijn, geldt hetgeen hiervoor is overwogen onverminderd, aangezien de ingangen van beide recreatieparken ongeveer 2 tot 2,5 kilometer van het nieuwe evenemententerrein liggen en De Boschberg en anderen hun betoog evenmin nader hebben onderbouwd.

Daar voegt de Afdeling nog aan toe dat de ingangen van deze beide recreatieparken aan de Bijsselseweg liggen en dat niet in geschil is dat het verkeer dat wordt veroorzaakt door evenementen op het nieuwe terrein niet over deze weg naar de Bremerbergdijk richting het plangebied zal rijden, aangezien de ingang van het nieuwe evenemententerrein aan de N306 (Spijkweg) zal liggen. De verkeersontsluiting van het toekomstige bungalowpark zal wel langs de Bremerbergdijk en de Bijsselseweg plaatsvinden, maar dat de ongeveer 900 mvt/etmaal die daardoor volgens het MER tijdens piekbelastingen worden veroorzaakt tot onaanvaardbare bereikbaarheidsproblemen van beide recreatieparken leidt, hebben De Boschberg en anderen niet aannemelijk gemaakt.

Ten overvloede merkt de Afdeling op dat voor zover De Boschberg en anderen wijzen op de huidige bereikbaarheidsproblemen door grootschalige evenementen op het bestaande noordelijke terrein - waarbij de Bijsselseweg en de Bremerbergdijk wel door evenementenverkeer worden gebruikt - dit geen gevolg is van het voorliggende plan en dit aspect derhalve buiten beschouwing dient te worden gelaten.

Parkeeroverlast

25. Oostappen betoogt dat tijdens het evenement Lowlands het nieuwe evenemententerrein eerst wordt gebruikt voor kamperen, vervolgens de resterende ruimte wordt gebruikt voor parkeren en dat bij een tekort aan parkeerplaatsen elders in de polder parkeerplaatsen worden gebruikt. Volgens Oostappen wordt daarmee parkeeroverlast voor de omgeving niet voorkomen.

25.1. Door Oostappen is niet weersproken dat het meerdaagse en grootschalige evenement Lowlands wordt gehouden op het bestaande noordelijke terrein. Als gevolg van de gestelde beperkingen in de planregels aan het houden van evenementen is het ook uitgesloten dat Lowlands in de huidige opzet en omvang op het nieuwe evenemententerrein kan plaatsvinden. De gestelde huidige parkeeroverlast tijdens dat evenement, wat daarvan ook zij, is derhalve geen gevolg van het voorliggende plan. Het betoog mist in zoverre dan ook feitelijke grondslag.

Voor zover Oostappen aanvoert dat het plan tot een toename van de bestaande parkeeroverlast zal leiden, overweegt de Afdeling dat in de plantoelichting is vermeld dat enkel op het deel van het plangebied dat in figuur 5.3 van de plantoelichting is aangeduid met 'P1' reeds ongeveer 9.000 parkeerplaatsen zijn en dat dit ruim voldoende is voor het verwachte maximale aantal van 2.800 auto's. Naast parkeerterrein P1 zijn volgens de plantoelichting binnen het plangebied nog twee terreinen aanwezig waar in totaal ongeveer 5.000 parkeerplaatsen zijn. Het genoemde aantal aanwezige parkeerplaatsen in het plangebied is door Oostappen niet bestreden.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het houden van evenementen op het nieuwe terrein tot parkeeroverlast zal leiden.

Oversteekbaarheid

26. Voor zover het college aanvoert dat in het MER ten onrechte geen aandacht is besteed aan de mogelijkheden om de N309 over te kunnen blijven steken in de bebouwde kommen van de kernen van Elburg, Oostendorp en ’t Harde, overweegt de Afdeling dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom dit in het MER had moeten worden betrokken. Reeds hierom faalt dit betoog.

Luchtkwaliteit

27. Het college betoogt dat het luchtkwaliteitsonderzoek in het MER onvolledig is, omdat de bebouwde kommen van de kernen Doornspijk, Oostendorp en ’t Harde niet zijn onderzocht. Hierdoor staat niet vast dat het plan geen gevolgen heeft voor de luchtkwaliteit in die kernen, aldus het college.

27.1. In het luchtkwaliteitsrapport ten behoeve van het MER is onderzoek gedaan naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit op de ontsluitingswegen die rondom het plangebied liggen, tot aan de kern van Elburg. In dit rapport is vermeld dat voor alle toetsjaren (2009, 2010 en 2020) blijkt dat de bijdrage van het plan niet leidt tot een overschrijding van de wettelijke grenswaarden voor de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide (NO2). De kernen van Doornspijk, Oostendorp en ’t Harde liggen enkele kilometers verder weg van het plangebied dan de kern Elburg.

Nu het college niet nader heeft onderbouwd dat de relatief beperkte toename van verkeer als gevolg van het plan tot een overschrijding van de wettelijke grenswaarden leidt en niet aannemelijk heeft gemaakt dat het plan anderszins gevolgen voor de luchtkwaliteit in de genoemde kernen heeft, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het luchtkwaliteitsonderzoek in zoverre onvolledig is en dat de raad het MER op dit punt niet aan het plan ten grondslag heeft mogen leggen.

Eindconclusie

28. In hetgeen Walibi voor het overige, De Boschberg en anderen, het college en Oostappen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het besluit van 31 mei 2012, inhoudende een partiële herziening van het bestemmingsplan "Ellerveld (8030)", in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het besluit van 31 mei 2012 anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Walibi voor het overige, en de beroepen van De Boschberg en anderen, het college en Oostappen tegen het besluit van 31 mei 2012 zijn ongegrond.

28.1. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van 17 december 2009 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Ellerveld (8030)" in stand te laten, uitgezonderd artikel 1.21, artikel 1.25 en artikel 1.31 van de planregels zoals die in dat besluit waren vervat.

28.2. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

29. Gelet op de in de tussenuitspraak en de in deze uitspraak geconstateerde gebreken dient de raad ten aanzien van Walibi en Oostappen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van De Boschberg en anderen en het college is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen tegen het besluit van 17 december 2009, kenmerk B09.000873, gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Dronten van 17 december 2009, kenmerk B09.000873, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Ellerveld (8030)" voor zover dat ziet op de plandelen waar de bestemming "Cultuur en ontspanning - Evenemententerrein" (CO-EV) en de bestemming "Recreatie -Verblijfsrecreatie" (R-VR) aan zijn toegekend;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven, met uitzondering van artikel 1.21, artikel 1.25 en artikel 1.31 van de planregels zoals die in dat besluit waren vervat;

IV. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Walibi World B.V. tegen het besluit van de raad van de gemeente Dronten van 31 mei 2012, kenmerk B12.000638, gedeeltelijk gegrond;

V. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Dronten van 31 mei 2012, kenmerk B12.000638, voor zover dat ziet op de vaststelling van artikel 3.1, onder a, sub 4 en sub 6, van de planregels;

VI. bepaalt dat artikel 3.1, onder a, sub 4 en sub 6 van de planregels als volgt komen te luiden: "4. evenementen alleen mogen plaatsvinden als op het evenemententerrein ten noorden van het plangebied geen evenementen worden gehouden die vallen onder de niet-representatieve bedrijfssituatie - de zogenoemde 12-dagen-regeling - van de aan Walibi World B.V. verleende vergunning;" en "6. evenementen worden gehouden in de dag- en avondperiode tussen 07.00 - 23.00 uur, met dien verstande dat de aankomst en het vertrek van bezoekers eveneens binnen dit tijdvak plaatsvindt;";

VII. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van de raad van de gemeente Dronten van 31 mei 2012, kenmerk B.12.000368;

VIII. draagt de raad van de gemeente Dronten op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel VI wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IX. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Walibi World B.V. voor het overige, en de beroepen van de onderlinge waarborgmaatschappij de vereniging Coöperatieve Vereniging Bungalowpark De Boschberg U.A. en anderen, het college van burgemeester en wethouders van Elburg en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Oostappen Groep B.V. tegen het besluit van de raad van de gemeente Dronten van 31 mei 2012, kenmerk B12.000638, geheel ongegrond;

X. veroordeelt de raad van de gemeente Dronten tot vergoeding van:

a. bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Walibi World B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.888,00 (zegge: achttienhonderdachtentachtig euro;

b. bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Oostappen Groep B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XI. gelast dat de raad van de gemeente Dronten aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Walibi World B.V.;

b. € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor het college van burgemeester en wethouders van Elburg;

c. € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Oostappen Groep B.V;

d. € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor de onderlinge waarborgmaatschappij Coöperatieve Vereniging Bungalowpark De Boschberg U.A. en anderen, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Vreugdenhil
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2013

571.