Uitspraak 201206854/1/R4


Volledige tekst

201206854/1/R4.
Datum uitspraak: 27 februari 2013

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1],
2. [appellant sub 2],
3. [appellant sub 3],
4. [appellant sub 4],
5. [appellant sub 5], allen wonend te Zevenhuizen, gemeente Zuidplas,

en

de raad van de gemeente Zuidplas,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2012 heeft de raad van de gemeente Zuidplas het bestemmingsplan "De Zevenster" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2013, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. J.M. Smits, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. drs. R.T.M. Lagerweij, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. drs. R.T.M. Lagerweij, voornoemd, [appellant sub 4], vertegenwoordigd door B.L.F. Verschoor, en de raad, vertegenwoordigd door ir. L.L. Löffler, ing. M. Groen en P.J. van der Meer, zijn verschenen.

Overwegingen

Het plan

1. Het bestemmingsplan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor de bouw van zorg- en welzijnscomplex De Zevenster op het perceel op de hoek van de Leliestraat en de Noordelijke Dwarsweg te Zevenhuizen ter vervanging van het bestaande zorgcentrum De Zevenster aan de Leliestraat. In het complex komen onder meer 79 wooneenheden.

Crisis- en herstelwet

2. Uit artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met bijlage I, onderdeel 3, onder 3.1, van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) volgt, voor zover van belang, dat afdeling 2 van die wet van toepassing is op besluiten die vereist zijn voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de bouw van meer dan elf woningen in een aaneengesloten gebied.

Nu het plan bij recht 79 woningen mogelijk maakt, is afdeling 2 van de Chw van toepassing op het plan.

Formeel bezwaar

3. [appellant sub 5] en [appellant sub 4] betogen dat de planschaderisicoanalyse met het ontwerpplan ter inzage had moeten worden gelegd.

3.1. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

3.2. Blijkens het verweerschrift is de planschaderisicoanalyse destijds opgesteld in opdracht van een andere partij dan de gemeente en is deze betrokken bij het grondbod van de projectontwikkelaar. Gelet hierop stelt de Afdeling vast dat de planschaderisicoanalyse niet ten grondslag heeft gelegen aan het standpunt van de raad dat het plan financieel uitvoerbaar is. Dit betekent dat de planschaderisicoanalyse in dit geval niet als een op het ontwerpplan betrekking hebbend stuk dient te worden aangemerkt en dat dit stuk niet met het ontwerpplan ter inzage hoefde te worden gelegd. Het betoog faalt.

Woon- en leefklimaat

4. [appellant sub 1] betoogt dat de ingevolge de planregels maximaal toegestane geluidniveaus zo hoog zijn dat voor de toekomstige bewoners van het woon-zorgcomplex geen goed woon- en leefklimaat is gegarandeerd.

4.1. Ingevolge artikel 1.9 van de Chw, dat onderdeel uitmaakt van afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw, zoals dat luidde ten tijde van belang, dient de bestuursrechter een besluit niet te vernietigen op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dat beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel van de Chw (Kamerstukken II 2009/2010, 32 127, nr. 3, blz. 49) kan worden afgeleid dat de wetgever met dit artikel de eis heeft willen stellen dat een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en de daadwerkelijke (of: achterliggende) reden om een besluit in rechte aan te vechten en dat de bestuursrechter een besluit niet moet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die niet strekt tot bescherming van een belang waarin de eisende partij feitelijk dreigt te worden geschaad.

4.2. [appellant sub 1] woont in de omgeving van het plangebied. De door hem bedoelde geluidnormen zijn van toepassing op het nieuw op te richten woon-zorgcomplex en de nieuw op te richten woningen op gronden waarop hij geen rechten heeft. Deze normen, die zijn opgenomen uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwbouw, strekken kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant sub 1]. De beroepsgrond over de opgenomen geluidnormen voor de te bouwen woningen kan daarom gelet op artikel 1.9 van de Chw niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit en blijft om die reden buiten beschouwing.

5. [appellant sub 4] en [appellant sub 5] betogen dat niet deugdelijk is gemotiveerd dat zich geen ernstige schaduwhinder voordoet als gevolg van het plan.

5.1. Aan het gedeelte van de gronden waarop het woon-zorgcomplex is voorzien, is de bestemming "Maatschappelijk" toegekend.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder c, van de planregels, zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor woon-zorgappartementen.

5.2. Ten westen van het plangebied bevinden zich de woningen van [appellant sub 4] en [appellant sub 5]. De kortste afstand van het bouwvlak waarbinnen het woon-zorgcomplex mag worden gebouwd tot de woningen van [appellant sub 4] en [appellant sub 5] is ongeveer 50 m. De toegestane maximale bouwhoogte van het woon-zorgcomplex is 14 m en, ter plaatse van de nadere aanduiding "maximale bouwhoogte (m)," 17 m.

5.3. In de zienswijzennota en in het verweerschrift heeft de raad uiteengezet dat de vierde laag van het woon-zorgcomplex is teruggelegd ten opzichte van de woningen van [appellant sub 4] en [appellant sub 5] aan de Leliestraat, waardoor aan de kant van woningen tot 14 m mag worden gebouwd en daarachter tot 17 m. Daarnaast wijst de raad op de op een afstand van 15 m van de Leliestraat aanwezige bomen. Deze bomen, die hoger zijn dan het woon-zorgcomplex, veroorzaken volgens de raad reeds een grotere schaduwwerking op de woningen van [appellant sub 4] en [appellant sub 5] dan het voorziene woon-zorgcomplex. Volgens de raad is alleen in de winter met de ochtendzon, als de zon laag staat, mogelijk sprake van een beperking van lichtinval vanwege de nieuwbouw. Gelet op het voorgaande, alsmede op de afstand tussen de woningen en het woon-zorgcomplex en nu deze schaduwwerking niet ongebruikelijk is in bebouwd gebied heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een zodanige vermindering van licht, dat daaraan een doorslaggevend gewicht had moeten worden toegekend. Dit betoog faalt.

Compensatie groen- en speelvoorzieningen

6. [appellant sub 1], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] betogen dat onvoldoende is gewaarborgd dat het verlies aan groen- en speelvoorzieningen aan de Leliestraat elders wordt gecompenseerd.

6.1. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat door het plan ongeveer 3000 m² van de groen- en speelvoorzieningen zal verdwijnen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat bij raadsbesluit van 27 oktober 2009 is besloten over de keuze van de locatie voor het nieuw op te richten woon-zorgcomplex De Zevenster en dat tevens is besloten dat het verlies aan groen- en speelvoorzieningen ter plaatse in de omgeving zal worden gecompenseerd. De compensatie zal volgens de raad plaatsvinden op de gronden naast de tennisvereniging en voor het overige op de huidige locatie van De Zevenster alsmede aan de Schoolstraat. Voor voornoemde gronden kan thans nog geen bestemmingsplan worden opgesteld, maar de compensatie is via het raadsbesluit van 27 oktober 2009 voldoende geborgd, aldus de raad. De raad wijst er ten slotte op dat het nieuwe speelterrein openbaar toegankelijk zal zijn.

Gelet hierop acht de Afdeling voldoende gewaarborgd dat het verlies aan groen- en speelvoorzieningen zal worden gecompenseerd in de omgeving van het plangebied. Het betoog faalt.

Uitvoerbaarheid

7. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] betogen dat de uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende is gewaarborgd. Zij betwijfelen of het plan in de huidige vorm uitvoerbaar zal zijn. Daartoe voeren zij aan dat met het plan is beoogd een concreet bouwproject van de projectontwikkelaar te faciliteren, en dat volgens hen reeds voor de vaststelling van het plan bij de raad bekend was dat de projectontwikkelaar, gelet op zijn financiële positie, niet zou gaan ontwikkelen. [appellant sub 1] stelt dat een eventuele andere projectontwikkelaar wellicht op een andere locatie zal willen bouwen.

7.1. Tussen partijen is niet in geschil dat er behoefte bestaat aan de voorziene wooneenheden. Daarnaast heeft de raad ter zitting toegelicht dat de ten behoeve van de realisering van het plan gesloten overeenkomst met de projectontwikkelaar nog steeds geldt en dat het eventueel terugtrekken van de ontwikkelaar er niet toe zal leiden dat het plan niet uitvoerbaar is, omdat het plan ook door een andere partij zal kunnen worden ontwikkeld nu de verkoop van de gemeentelijke gronden onder marktconforme voorwaarden plaatsvindt. Verder heeft de raad ter zitting onweersproken gesteld dat de keuze voor een andere locatie niet waarschijnlijk is, omdat op de beoogde locatie reeds met voorbereidende werkzaamheden met betrekking tot het oprichten van het woon-zorgcomplex is begonnen en dat deze werkzaamheden grotendeels zijn voltooid. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan uitvoerbaar is. Het betoog faalt.

Overige beroepsgronden

8. Volgens [appellant sub 1] is het bestemmingsplan vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro), omdat de reactie van het Hoogheemraadschap niet in de toelichting is opgenomen. Hij stelt voorts dat het bestemmingsplan niet voorziet in voldoende compensatie van wateroppervlakte voor de toename van de verharde oppervlakte. [appellant sub 1] voert verder aan dat ten onrechte een verbod op ondergronds bouwen ontbreekt. Hij verwijst hierbij naar de opmerking in de toelichting dat het aanbrengen van ondergrondse constructies grondwateroverlast kan veroorzaken.

Wat betreft deze beroepsgronden ziet de Afdeling geen aanleiding om daarover anders te oordelen dan de voorzitter heeft gedaan in zijn uitspraak van 18 september 2012, nr. 201206854/2/R4), waarbij het verzoek om voorlopige voorziening van [appellant sub 1] tegen het bestreden besluit is afgewezen en waarbij is ingegaan op deze beroepsgronden. Hierbedoelde beroepsgronden falen derhalve.

9. [appellant sub 4] en [appellant sub 5] hebben zich in hun beroepschriften ten aanzien van hun overige beroepsgronden beperkt tot het verwijzen naar hun zienswijze. Deze beroepsgronden zien op aan[appellant sub 3]ting van woongenot, anders dan schaduwhinder, verkeersveiligheid en parkeerhinder. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 4] en [appellant sub 5] hebben geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie en proceskosten

10. In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Gerkema
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2013

472-685.