Uitspraak 201101685/1/R1

Datum van uitspraak: woensdag 23 mei 2012
Tegen: de raad van de gemeente Enschede
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: Ruimtelijke-ordeningskamer - Bestemmingsplannen Overijssel

201101685/1/R1.
Datum uitspraak: 23 mei 2012

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Enschede,
2. [appellant sub 2] en anderen, wonend te Enschede,
appellanten,

en

de raad van de gemeente Enschede,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Horstlanden-Veldkamp 2010" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 februari 2011, en [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2011, beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2012, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. C. Lubben, werkzaam bij
SRK Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door L.C. Brinkman en E.C. Bödeker, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor het plangebied Horstlanden-Veldkamp. Het gebied is gelegen ten zuiden van het stadscentrum van Enschede en maakt deel uit van het binnensingelgebied.

Het beroep van [appellant sub 1]

2.2. [appellant sub 1] heeft aangevoerd dat het plan leidt tot hinder en dat ongewenste verstening kan optreden vanwege de te ruime bouwmogelijkheden die het plan biedt voor "bijbehorende bouwwerken" op gronden waaraan de bestemming "Wonen" is toegekend. De raad heeft getracht aan het in de zienswijze hieromtrent gestelde tegemoet te komen door het opnemen van de definitie "bebouwingspercentage" in de planregels. Die definitie is volgens [appellant sub 1] echter in strijd met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro). Een minimumbebouwingspercentage mag niet worden voorgeschreven omdat het niet is toegestaan in een bestemmingsplan een bouwplicht op te leggen.

2.2.1. Ingevolge artikel 1, lid 1.9, van de planregels wordt onder bebouwingspercentage een op de verbeelding van het plan of in de regels aangegeven percentage verstaan, dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel, dat ten minste moet of ten hoogste mag worden bebouwd.

Ingevolge artikel 2, lid 2.10, moet het aangegeven bebouwingspercentage worden berekend over het gehele bouwperceel, met inbegrip van de buiten de bouwgrens gelegen gronden; voor de berekening blijven bouwwerken gelegen beneden peil buiten beschouwing.

2.2.2. Anders dan [appellant sub 1] betoogt, betekent het opnemen van een minimumbebouwingspercentage in de bouwregels van het bestemmingsplan niet dat een actieve verplichting tot verwezenlijking van de aan de gronden gegeven bestemming wordt opgelegd. Artikel 1, lid 1.9, van de planregels legt immers geen bouwplicht op. Het reguleert evenmin het gebruik van gronden, maar stelt slechts een vereiste bij de toetsing van aanvragen betreffende vergunningplichtige bouwwerken. Er bestaat in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het opnemen van een minimumbebouwingspercentage in de bouwregels in strijd is met het stelsel van de Wro.

2.3. Voorts heeft [appellant sub 1] zich op het standpunt gesteld dat artikel 16, lid 16.2.3, aanhef en onder a, van de planregels rechtsonzekerheid met zich brengt, omdat niet duidelijk is of het maximum van 30 m² geldt voor een bouwperceel, een kadastraal perceel, voor een volledig plandeel met de bestemming "Wonen" of voor alle plandelen met de bestemming "Wonen" binnen het plangebied.

2.3.1. Ingevolge artikel 1, lid 1.15, van de planregels wordt onder bijbehorend bouwwerk een functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw of ander bouwwerk met een dak verstaan.

Ingevolge lid 1.19 wordt onder bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

Ingevolge artikel 16, lid 16.2.3, aanhef en onder a, mogen bijbehorende bouwwerken zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat achter de voorgevelrooilijn buiten het bouwvlak maximaal 30 m² aan bijbehorende bouwwerken is toegestaan.

2.3.2. Uit de hiervoor vermelde bepalingen volgt dat voor het mogen bouwen van bijbehorende bouwwerken van belang is de aanwezigheid van een bouwperceel met daarop een bouwvlak voor een hoofdgebouw. Anders dan [appellant sub 1] heeft aangevoerd, is van rechtsonzekerheid ten aanzien van de vraag waarvoor het maximum van 30 m² geldt, geen sprake.

2.4. [appellant sub 1] betoogt voorts dat in de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in artikel 16, lid 16.3, aanhef en onder d, van de planregels ten onrechte geen afwegingscriteria ten behoeve van de belangen van bewoners van belendende percelen zijn opgenomen.

2.4.1. Ingevolge artikel 16, lid 16.3, aanhef en onder d, van de planregels kan het college van burgemeester en wethouders bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 16.2.3, onder a, voor een gezamenlijk oppervlak van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak tot maximaal 50 m², mits het bebouwingspercentage niet meer bedraagt dan 50. De in lid 16.3 genoemde afwijkingen worden uitsluitend verleend onder de voorwaarde dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de woonsituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

2.4.2. De Afdeling stelt vast dat in artikel 16, lid 16.3, van de planregels voorwaarden zijn gesteld die bij de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen. Daarbij zijn onder meer de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden genoemd.

De raad heeft ter zitting toegelicht dat hieronder het woon- en leefklimaat wordt verstaan, waarbij onder meer de privacy, bezonning, daglichttoetreding en verdichting van percelen in ogenschouw worden genomen. Gelet hierop zal, anders dan [appellant sub 1] betoogt, bij de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid ook rekening moeten worden gehouden met de belangen van de bewoners van belendende percelen.

2.5. Volgens [appellant sub 1] zorgt de door het plan mogelijk gemaakte ruime bouwhoogte, terwijl bovendien reeds zonder omgevingsvergunning 30 m² aan bijbehorende bouwwerken kan worden gerealiseerd, ervoor dat smalle percelen, waaronder dat van [appellant sub 1], kunnen worden geconfronteerd met een forse afname van licht op de desbetreffende percelen en woningen. [appellant sub 1] voert hiertoe aan dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de planregels aansluiten bij het vergunningvrij bouwen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor). De Wabo en het Bor verplichten volgens [appellant sub 1] niet tot het toelaten van 50 m² aan bijbehorende bebouwing. Ook de op grond van het plan toegestane bouwhoogte van 4,5 m is hoger dan op grond van de Wabo en bijlage II bij het Bor vergunningvrij mogelijk is.

2.5.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.3, tweede lid, van het Bor is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 2 van bijlage II.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder 3, van bijlage II is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de wet niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan aldaar genoemde eisen.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van bijlage II wordt onder achtererfgebied verstaan een erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw.

2.5.2. Ingevolge artikel 16, lid 16.2.3, aanhef en onder a, van de planregels mogen bijbehorende bouwwerken zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat achter de voorgevelrooilijn buiten het bouwvlak maximaal 30 m² aan bijbehorende bouwwerken is toegestaan.

Ingevolge lid 16.2.3, aanhef en onder b, mag de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken maximaal 4,5 m bedragen.

2.5.3. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat volgens het plan in principe niet meer mag worden gebouwd dan het Bor vergunningvrij toelaat. Dit uitgangspunt sluit volgens hem echter niet uit dat de planregels in bepaalde gevallen in meer bouwmogelijkheden voorzien dan ingevolge het Bor vergunningvrij mogelijk is.

2.5.4. De Afdeling overweegt dat [appellant sub 1] terecht betoogt dat het plan gedeeltelijk ruimere bouwmogelijkheden biedt dan hetgeen vergunningvrij reeds mogelijk is. Uit hetgeen de raad heeft aangevoerd, volgt evenwel niet dat de raad dit op voorhand volledig heeft willen uitsluiten. Het plan maakt bijvoorbeeld bebouwing van bijbehorende bouwwerken mogelijk tot aan de voorgevelrooilijn, daar waar vergunningvrij 1 m achter de voorkant van het hoofdgebouw moet worden gebleven. Voorts is de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken maximaal 4,5 m, daar waar artikel 2 van bijlage II van het Bor afhankelijk van de afstand tot het hoofdgebouw 4 m onderscheidenlijk 3 m als maximum stelt. Tevens is niet uitgesloten dat artikel 16, lid 16.2.3, aanhef en onder a, van de planregels in enige mate meer bebouwing toelaat dan vergunningvrij mogelijk is ingevolge artikel 2 van bijlage II van het Bor. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hiermee niet zodanig ruimere bouwmogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken zijn gegeven dat deze, indien daarvan gebruik wordt gemaakt, op de door [appellant sub 1] bedoelde percelen en in dit geval zullen leiden tot onevenredige gevolgen voor de woonsituatie van [appellant sub 1] dan wel die op belendende percelen in haar woonomgeving. Wat betreft de door [appellant sub 1] bedoelde mogelijkheid voor bijbehorende bouwwerken tot 50 m² overweegt de Afdeling dat deze mogelijkheid, zoals hiervoor al is overwogen, niet bij recht is toegelaten en dat bij gebruikmaking van de desbetreffende bevoegdheid een nadere afweging plaatsvindt.

2.6. [appellant sub 1] voert verder aan dat de plantoelichting in strijd is met de planregels voor zover deze zien op bijbehorende bouwwerken binnen de bestemming "Wonen". In de plantoelichting is vermeld dat kleinschalige laagbouw overheerst, dat het plan overwegend conserverend van aard is en dat daarin in principe de bestaande situatie wordt vastgelegd. De planregels bieden volgens [appellant sub 1] echter zowel ten aanzien van de maximale bouwhoogte als het bebouwde oppervlak bouwmogelijkheden die een verruiming inhouden van de bestaande mogelijkheden.

Voorts is volgens [appellant sub 1] gezien het vorenstaande ten onrechte in de plantoelichting opgenomen dat de Omgevingsvisie Overijssel 2009 (hierna: de Omgevingsvisie) gelet op het conserverende karakter van het plan geen directe doorwerking heeft.

2.6.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de wijk Horstlanden-Veldkamp, met uitzondering van het noordoostelijk deel van het plangebied en het Volkspark, voor veruit het grootste deel kan worden bestempeld als een wijk die wordt gekenmerkt door kleinschalige bebouwing, met name bestaande uit woningen met één tot twee bouwlagen met of zonder kap. De kleinschaligheid van de bestaande bebouwing blijft in deze wijk overheersend. Het uitgangspunt bij de totstandkoming van het plan is volgens de raad primair geweest om zoveel mogelijk gronden en bebouwing te bestemmen overeenkomstig het huidige gebruik. Daarnaast is rekening gehouden met mogelijke toekomstige wensen van de bewoners en eigenaren van panden met betrekking tot eventuele uitbreidingen van hun panden. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de desbetreffende planregels gelet op de aard van het plan te ruime bouwmogelijkheden bevatten. In de plantoelichting is vermeld dat het plan overwegend conserverend van aard is. Dit sluit niet uit dat enige verruiming van de mogelijkheden in de planregels is neergelegd.

Gezien het vorenstaande bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat in de plantoelichting ten onrechte is geconcludeerd dat de Omgevingsvisie gelet op het conserverende karakter van het plan geen directe doorwerking op de beheerregeling van het plangebied heeft. In dit verband is voorts van belang dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan provinciaal beleid is gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. Nu de raad in de plantoelichting is ingegaan op de Omgevingsvisie, is aannemelijk dat de raad het provinciale beleid in de belangenafweging heeft betrokken.

2.7. Ten slotte heeft [appellant sub 1] aangevoerd dat het plan in strijd is met de "Watervisie Enschede - de blauwe aders terug in de stad" (hierna: de Watervisie). De raad heeft in het kader van de doelstellingen genoemd in de Watervisie geen oplossingen gegeven ten aanzien van de verdere verstening van het oppervlak. Voorts heeft de raad geconstateerd dat vanuit de waterwetgeving geen instrumenten beschikbaar zijn om de kleinschalige toename van de verharding op particulier terrein tegen te gaan. Het had om die reden volgens [appellant sub 1] voor de hand gelegen een aanlegvergunningenstelsel op te nemen waar het gaat om het aanleggen van verhardingen.

2.7.1. Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit ruimtelijke ordening gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor vergezeld van een toelichting, waarin een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding is neergelegd.

2.7.2. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende rekening is gehouden met de problematiek van bodeminfiltratie van hemelwater als gevolg van de bouwmogelijkheden die het plan biedt.

Het plan gaat uit van een beperkte erfbebouwingsregeling. De toename van verhard oppervlak op particulier terrein leidt tot meer afstromend hemelwater. De raad heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat, indien noodzakelijk, de voorzieningen in de openbare ruimte hierop zullen worden aangepast overeenkomstig het waterbeleid van de gemeente Enschede. Om burgers aan te moedigen het hemelwater lokaal te infiltreren, worden in samenwerking met het waterschap een communicatietraject en een subsidieregeling voorbereid. Verder is de raad voornemens een hemelwaterverordening op te stellen die de taken voor particulieren ten aanzien van het omgaan met en het infiltreren van hemelwater expliciet beschrijft. Tevens zullen daarbij gebieden worden aangewezen waar infiltratie mogelijk is. Voorts is er door de raad op gewezen dat het plan in het kader van het vooroverleg ter beoordeling aan het waterschap Regge en Dinkel is voorgelegd. Het waterschap heeft op het voorontwerp van het plan een positief wateradvies gegeven. Volgens het waterschap worden in het plan de beleidsuitgangspunten van het waterschap ten aanzien van het afkoppelen, waterbergen en grondwaterneutraal bouwen goed verwoord.

Gezien het vorenstaande heeft de raad in redelijkheid geen noodzaak aanwezig hoeven achten om vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in het plan een aanlegvergunningstelsel voor het aanleggen van verhardingen op te nemen.

2.8. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen

2.9. [appellant sub 2] en anderen kunnen zich niet verenigen met het plan, voor zover dat voorziet in een verbreding van de Parkweg in zuidelijke richting ter plaatse van een strook die tot het zogenoemde Volkspark behoort. Hiertoe voeren zij aan dat de raad ten onrechte niet de variant heeft bezien waarbij de wegverbreding wordt uitgevoerd aan de noordzijde van de Parkweg, op de gronden langs de spoorbaan, zodat het Volkspark niet wordt aangetast. Volgens hen zijn de bomen aan die zijde van de Parkweg, anders dan de bomen die op de strook behorende bij het Volkspark staan, ten onrechte als waardevol en daarmee als behoudenswaardig aangemerkt.

Voorts betogen [appellant sub 2] en anderen dat de raad niet in redelijkheid een groter belang heeft kunnen hechten aan de uitvoering van de Parkweg met een middenberm, waardoor de weg moet worden verbreed, dan aan het behoud van de strook grond van het Volkspark.

Verder is volgens hen niet aangetoond dat het in verband met de verkeersveiligheid noodzakelijk is om de Parkweg te verbreden.

Daarnaast voeren [appellant sub 2] en anderen aan dat het Volkspark bij notariële schenkingsakte in 1906 door H. van Heek aan de gemeente Enschede is geschonken. In deze akte is opgenomen dat de geschonken gronden voortdurend bestemd moeten blijven als Volkspark. De raad handelt volgens [appellant sub 2] en anderen in strijd met deze akte.

Ten slotte voeren [appellant sub 2] en anderen aan dat de bescherming van bomen die in artikel 4, lid 4.4.2, van de planvoorschriften van het vorige plan "Horstlanden-Veldkamp 2002" was gewaarborgd, in het nu voorliggende plan had moeten worden overgenomen.

2.9.1. De raad heeft toegelicht dat de Parkweg één van de zwaarst belaste singeldelen van het hoofdwegennet van Enschede is. In de huidige situatie vormt de Parkweg een verkeerskundig knelpunt. De voorziene aanpassingen aan de Parkweg, waaronder de verbreding van het wegprofiel met de aanleg van een middenberm, zal de verkeersveiligheid vergroten en daarnaast zal door het verlengen of verdubbelen van de opstelstroken bij de kruispunten de doorstroming van het verkeer worden bevorderd. De raad heeft ervoor gekozen om met het ontwerp van de Parkweg aan te sluiten bij het bestaande herkenbare singelprofiel, waarbij een middenberm met één rij bomen wordt gecreëerd. Het uitvoeren van de Parkweg zonder middenberm, waardoor de groenstrook voor het Volkspark kan worden behouden, acht de raad niet wenselijk, omdat dit niet zal leiden tot de gewenste verbetering van de huidige verkeerssituatie. De keuze om de bomenrij aan de noordzijde van de Parkweg, tussen het vrijliggende fietspad en de rijbaan, te handhaven, is, aldus de raad, gebaseerd op een boomeffectanalyse van Windemuller Boomadvies van oktober 2008, waaruit blijkt dat die bomen karakteristiek zijn, van goede kwaliteit en met de verwachting van een lange levensduur, in tegenstelling tot de bomen die in de groenstrook van het Volkspark staan. Het uitgangspunt van behoud van de bomen aan de spoorzijde van de Parkweg betekent dat het voor de realisatie van het ontwerp noodzakelijk is dat een strook van het Volkspark benodigd is voor de aanleg van een voet- en fietspad. Het betreft een strook met maximale breedte van 4 tot 4,5 m. De voorziene aanleg van het fiets- en voetpad behoort tot het wegprofiel van de Parkweg, waarvoor in het plan de bestemming "Verkeer" is opgenomen. De plannen vereisen een herinrichting van de volledige randzone aan de noordzijde van het Volkspark. Voor de bomen die hiertoe gekapt zullen moeten worden, zal volgens de raad een herbeplantingsplan moeten worden opgesteld.

2.9.2. De Afdeling stelt vast dat de raad een alternatieve inrichting van de Parkweg, waarbij de groenstrook behouden blijft, in zijn besluitvorming heeft betrokken. De raad heeft in dit verband toegelicht dat bij de variant waarbij geen strook van het Volkspark zou worden ingeleverd, op de Parkweg tussen de Tubantiasingel en de Volksparksingel geen middenberm zou worden gecreëerd, de ruimte voor uitbreiding van de opstelstroken beperkt zou zijn en het verkeersoplossend vermogen minder groot zou zijn. De toename van de verwerkingscapaciteit is dan 10% in plaats van 20%. De beslissing van de raad om de verbreding van de Parkweg op de groenstrook mogelijk te maken berust gezien het vorenstaande op een bewuste en onderbouwde keuze.

2.9.2.1. Voorts ziet de Afdeling geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de raad ten onrechte de bomen in de groenstrook van het Volkspark niet als behoudenswaardig heeft aangemerkt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de raad voormelde boomeffectanalyse aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd en [appellant sub 2] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat deze analyse gebreken vertoont.

2.9.2.2. Voorts bestaat geen grond om naar aanleiding van hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd te twijfelen aan het standpunt van de raad dat de voorziene reconstructie van de Parkweg zal leiden tot extra capaciteit op deze weg, waardoor verkeersproblemen worden opgelost dan wel worden voorkomen. Daarnaast acht de Afdeling de keuze om aan te sluiten bij het singelprofiel van andere singelwegen niet onredelijk.

2.9.2.3. Uit de schenkingsakte die door [appellant sub 2] en anderen is overgelegd, volgt dat het Volkspark onder last is geschonken aan de gemeente Enschede. In de schenkingsakte is onder meer de voorwaarde opgenomen dat de daarin aangeduide gronden voortdurend bestemd moeten blijven tot een Volkspark.

Deze bepaling in de schenkingsakte staat aan de uitvoerbaarheid van de voorziene reconstructie van de Parkweg niet in de weg. In dit verband is van belang dat de raad de Commissie, die op grond van deze akte is belast met het beheer van het Volkspark heeft geraadpleegd over de voorziene reconstructie en de gevolgen daarvan voor de gronden van het Volkspark. De Commissie, waarvan onder meer een nazaat van H. van Heek lid is, heeft daartegen volgens de raad geen bezwaren kenbaar gemaakt. Niet is gebleken dat dit onjuist is. Voorts is ter zitting van de zijde van de raad toegelicht dat in het najaar van 2011 ter compensatie van het verlies van een gedeelte van het Volkspark van ongeveer 1.200 m², nabij de Emmastraat/2e Emmastraat een park is aangelegd met een oppervlakte van ongeveer 2.200 m².

2.9.2.4. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid meer belang kunnen hechten aan de voorziene reconstructie van de Parkweg dan aan het behoud van de relatief beperkte strook grond als onderdeel van het Volkspark.

2.9.3. Voorts bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om in dit plan niet te voorzien in dezelfde bescherming voor bomen waarvoor een kapvergunningplicht geldt, als waarin in artikel 4, lid 4.4.2, van de voorschriften van het vorige plan was voorzien. Het desbetreffende artikel verbiedt een aantal werken en werkzaamheden binnen de invloedssfeer van kapvergunningplichtige bomen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de raad heeft toegelicht dat in het plan wel regels zijn opgenomen ten aanzien van bescherming van bepaalde categorieën monumentale en bijzonder waardevolle bomen. Voorts zijn inmiddels verschillende beleidsstukken vastgesteld waarin de bescherming van bomen op andere wijze is gewaarborgd. Voor zover als gevolg van het plan bomen gekapt moeten worden, wordt een herbeplantingsplan opgesteld. Bij de compensatie zal volgens de raad worden gekozen voor een diversiteit in boomsoorten.

2.9.4. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 2] en anderen is ongegrond.

Proceskosten

2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Bechinka
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2012

490.