Samenvatting van het jaarverslag 2008
Inleiding
De Raad van State is adviseur van regering en parlement voor wetgeving en bestuur en is de hoogste algemene bestuursrechter van Nederland. De Raad brengt jaarlijks verslag uit van zijn werkzaamheden. Dat verslag heeft zowel een externe als een interne functie. Extern wordt via het verslag verantwoording afgelegd over de resultaten van het werk, de inzichten die zijn ontwikkeld en de middelen die zijn ingezet. Intern biedt het verslag de mogelijkheid terug te kijken op de ervaringen in dat werk ten behoeve van eventueel noodzakelijke verbeteringen.
Eén Raad, twee functies
De Raad van State stelt zich ten doel bij te dragen aan behoud en versterking van de democratische rechtsstaat. Daarbinnen wil hij bijdragen aan de rechtsbescherming van de burger en aan de eenheid, legitimiteit en kwaliteit van het openbaar bestuur.
De Raad doet dat vanuit twee perspectieven: het algemene perspectief van wetgeving en het individuele perspectief van bestuursrechtspraak. Beide perspectieven kunnen elkaar aanvullen en versterken.
Als adviseur voor wetgeving richt de Raad van State zich weliswaar primair op de kwaliteit van de wet, maar draagt hij ook bij aan de kwaliteit van het bestuur. De bijdrage die de Raad kan leveren aan de kwaliteit van het bestuur, is afhankelijk van de mate waarin zijn adviezen overtuigen op grond van de kracht van zijn argumenten.
Als bestuursrechter verleent de Raad primair rechtsbescherming aan de burger en waakt hij ervoor dat het openbaar bestuur de grenzen van het recht niet overschrijdt. Door zijn jurisprudentie als hoogste algemene bestuursrechter bevordert hij echter ook de kwaliteit van het optreden van het bestuur in brede zin. Net als bij de advisering vormt de motivering de kern van de uitspraak. Zij legitimeert de beslissing. De motivering van de uitspraak is weliswaar toegesneden op de individuele zaak, maar kan door haar overtuigingskracht een bredere betekenis hebben voor de kwaliteit van het bestuur.
De beide taken van de Raad hebben niet alleen gemeenschappelijk dat zij bijdragen aan de kwaliteit van het bestuur maar ook dat zij worden uitgeoefend binnen eenzelfde constitutionele orde. Die orde omvat meer dan de Nederlandse constitutie. Zij heeft een nauwe relatie met en wordt beïnvloed door de Europese constitutie en het Statuut voor het Koninkrijk.
Als er veranderingen plaatsvinden in de constitutionele verhoudingen, heeft dat invloed op de positie van wetgever en rechter en op hun positie ten opzichte van het bestuur. De bestuursrechter mag niet op de stoel van het politiek gecontroleerde bestuur gaan zitten, maar als de politieke controle zwak is, de ambtelijke positie (daardoor) sterker wordt en de positie van de burger daarmee in het geding komt, heeft dat consequenties voor de opstelling van de bestuursrechter. Hij moet dan in het belang van de rechtsbescherming van de burger maximaal gebruik maken van zijn bevoegdheden, bijvoorbeeld in het finaal beslechten van geschillen, en een daarop toegesneden motivering geven.
In de komende jaren wil de Raad van State veel aandacht geven aan een verdere verhoging van de kwaliteit van de motivering in de advisering en de bestuursrechtspraak.
<< Terug naar boven
Institutionele eenheid van de Raad
In de huidige opzet is de Raad van State zelf zowel belast met overkoepelende taken ten behoeve van de Raad als geheel, als met de advisering. Ook alle staatsraden zijn zowel belast met advisering als met bestuursrechtspraak. Zij moeten voldoen aan de specifieke eisen die bestuursrechtspraak en advisering stellen. De huidige structuur leidt tot onevenwichtigheden. Door het toenemende beslag van bestuursrechtspraak loopt de advisering het risico inhoudelijk in de knel te komen. Daarnaast is sprake van een onevenwichtigheid in de positie van de Afdeling bestuursrechtspraak. De Afdeling bevindt zich immers in organisatorisch opzicht in een ondergeschikte positie ten opzichte van de overkoepelende Raad, die tevens adviseur is. Dit komt onder meer tot uiting in het feit dat staatsraden in buitengewone dienst, die alleen in de Afdeling bestuursrechtspraak worden ingezet, niet vertegenwoordigd zijn in de Raad. Daardoor moeten voor de besluitvorming over onderwerpen die de Raad als geheel aangaan, steeds ad hoc hulpconstructies worden gevonden.
Bij de Eerste Kamer is op dit moment een wetsvoorstel aanhangig waarin de structuur van de Raad van State wordt gewijzigd. Beter voldoen aan de specifieke eisen die advisering en bestuursrechtspraak stellen met behoud van de institutionele eenheid van de Raad, is het doel van de herstructurering.
Volgens het wetsvoorstel, zoals dat luidt na aanvaarding door de Tweede Kamer, zal de Raad voortaan bestaan uit drie eenheden: een Raad van ten hoogste tien leden en twee gelijkwaardige Afdelingen, de Afdeling advisering en de Afdeling bestuursrechtspraak.
De Raad is belast met de overkoepelende taken en met de taken die in de artikelen 35 en 38 van de Grondwet aan hem zijn opgedragen. Advisering en bestuursrechtspraak zijn opgedragen aan de Afdeling advisering respectievelijk de Afdeling bestuursrechtspraak. Staatsraden zijn werkzaam in één van beide of beide Afdelingen van de Raad. Het aantal staatsraden dat gelijktijdig in beide Afdelingen kan worden benoemd, bedraagt – na een overgangsperiode – ten hoogste tien.
De titel staatsraad in buitengewone dienst is nog slechts van toepassing op degenen die zonder vaste taakomvang aan de Raad verbonden zijn.
De nieuwe structuur betekent niet alleen een organisatorische emancipatie van de Afdeling bestuursrechtspraak en een groot deel van haar leden, maar brengt ook een inhoudelijke emancipatie van de advisering mee, in die zin dat bij de selectie van de leden van de Afdeling advisering voortaan meer rekening gehouden kan worden met de specifieke eisen die de advisering stelt.
Daarenboven heeft de vorming van een aparte Raad als overkoepelende eenheid een eigen betekenis voor de waarden die advisering en bestuursrechtspraak gemeenschappelijk hebben. Dit komt vooral naar voren in de ontwikkeling van kennis van en inzicht in de hiervoor genoemde gemeenschappelijke constitutionele orde in de brede zin. Deze ontwikkeling zal dan ook een van de belangrijkste inhoudelijke taken van de Raad vormen.
<< Terug naar boven
De Raad als adviseur
De Raad van State adviseert regering en parlement over voorstellen van wet, goedkeuring van verdragen en ontwerp-algemene maatregelen van bestuur. De functie van de Raad als wetgevingsadviseur is drieledig: analyserend, corrigerend en aanvullend. Hij past daarbij een drieledig toetsingskader toe: de beleidsanalytische, de juridische en de wetstechnische toets.
In zijn juridische toets zal hij vooral aanvullend en corrigerend moeten werken, met bijzondere aandacht voor toetsing aan 'hoger' recht en inpassing in het bestaande recht. In zijn beleidsanalytische toets zal de Raad van State vooral analyserend en aanvullend te werk moeten gaan. Hij zal in dat verband wijzen op tekortkomingen en inconsistenties in de probleemstelling, zwakheden in de beleidsvooronderstellingen, risico's waaraan geen of te weinig aandacht is gegeven, belangen en aspecten die over het hoofd zijn gezien.
De adviezen van de Raad van State moeten doeltreffend bijdragen aan het vervolg van het wetgevingsproces, de politieke en publieke discussie. Om daarin te slagen moeten de adviezen voldoen aan een drietal eisen. De inhoudelijke argumenten voor de standpunten van de Raad moeten sterk zijn, de presentatie van die argumenten moet logisch, helder en overtuigend zijn, de adviezen moeten toegankelijk zijn. Niet alleen voor de eerstverantwoordelijke minister en zijn ambtenaren, maar ook voor Kamerleden, journalisten en burgers. Dan kunnen de adviezen hun rol spelen in het politieke en publieke debat.
Zoals ieder jaar heeft de Raad in zijn jaarverslag een legisprudentieoverzicht opgenomen waarbij een beeld wordt gegeven van de wijze waarop hij zijn taak als wetgevingsadviseur vervult en van het toetsingskader dat hij daarbij gebruikt.
In 2008 werden in totaal 593 zaken ter advisering aan de Raad van State voorgelegd. Dit aantal komt dicht in de buurt van het langjarig gemiddelde van 600 zaken. In het verslagjaar heeft de Raad van State 554 adviezen uitgebracht. De doorlooptijd van de zaken, van ontvangst van de adviesaanvraag tot verzending van het advies, is in het verslagjaar ongeveer gelijk aan het jaar ervoor. Het streven van de Raad van State om binnen drie maanden advies uit te brengen is in 2008 in bijna alle gevallen gehaald. Ruim tweederde van alle adviesaanvragen deed de Raad van State binnen één maand af.
<< Terug naar boven
De Raad als bestuursrechter
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is de hoogste algemene bestuursrechter in Nederland. Zij oordeelt in laatste instantie over geschillen op het gebied van onder meer het ruimtelijke-ordeningsrecht, milieurecht, bouwrecht en vreemdelingenrecht. Het is de taak van de bestuursrechter om besluiten van bestuursorganen op hun rechtmatigheid te beoordelen en om het geschil op een zo efficiënt mogelijke wijze te beslechten.
Bij het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de bestuursrechtspraak spelen juridische en praktische aspecten een rol, zoals communicatie met partijen, openbaarheid van de zittingen, contacten met de media, tijdigheid van de afdoening en de openbaarmaking van de uitspraken. Elk van de genoemde aspecten is van groot belang. In het verslagjaar heeft de Afdeling bestuursrechtspraak aan één aspect bijzondere aandacht gegeven: de kwaliteit van de motivering van uitspraken.
Een goede motivering is van groot belang, omdat daarmee de kwaliteit van de oordeelsvorming door de rechter wordt bevorderd en de beslissing van de rechter in het concrete geval wordt gelegitimeerd tegenover partijen en – in geval van hoger beroep – tegenover de rechter die in eerste aanleg heeft geoordeeld. Als algemene bestuursrechter in eerste en enige aanleg en als rechter in hoger beroep heeft de Afdeling een bijzondere taak ten aanzien van de uniforme uitleg van het bestuursrecht en ten aanzien van de rechtsvorming en rechtsontwikkeling. Dit moet tot uitdrukking komen in de motivering.
Als vast onderdeel in het jaarverslag is ook dit jaar een jurisprudentieoverzicht opgenomen waarin een overzicht is gegeven van belangrijke ontwikkelingen in de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak. Aan enkele thema's uit de Afdelingsjurisprudentie, zoals de Natuurbeschermingswet, de Wet ruimtelijke ordening en vreemdelingenbewaring, is afzonderlijk aandacht besteed.
In het verslagjaar heeft de Afdeling bestuursrechtspraak ruim 9.700 juridische procedures afgehandeld, waarvan 1.350 voorlopige voorzieningen. Het aantal ingekomen zaken is in 2008 iets toegenomen (ruim 10.000 in 2008 tegenover 9.800 in 2007).
De gemiddelde doorlooptijden van de zaken, van ontvangst van het (hoger)beroepschrift tot de verzending van de uitspraak, ligt in alle Kamers van de Afdeling bestuursrechtspraak ruim binnen de wettelijke termijnen en de (kortere) streeftermijnen. In de Kamers 1 (ruimtelijke ordening) en 2 (milieu) waren die gemiddelden in het verslagjaar 35 respectievelijk 27 weken; de streeftermijn is 52 weken. In Kamer 3 (hoger beroep) was de gemiddelde doorlooptijd 28 weken, terwijl de streeftermijn in die Kamer 40 weken bedraagt. Voor Kamer 4 (hoger beroep vreemdelingenzaken) geldt een wettelijke doorlooptijd van 23 weken. In 2008 was de gemiddelde doorlooptijd in die zaken 11 weken.
<< Terug naar boven
Raad van State van het Koninkrijk
De Raad van State van het Koninkrijk adviseert over voorstellen van wet en algemene maatregelen van bestuur die in Nederland en in de Nederlandse Antillen en/of Aruba zullen gelden. Daarnaast brengt de Raad van State van het Koninkrijk advies uit over andere aangelegenheden die de Nederlandse Antillen of Aruba raken. Hierbij gaat het onder meer om bepaalde wijzigingen van de Grondwet, om de defensie en de buitenlandse betrekkingen.
Een derde taak betreft het Kroonberoep. Op grond van de Eilandenregeling Nederlandse Antillen (ERNA) kunnen bestuurscolleges in beroep gaan als de Gouverneur besluiten van eilandorganen vernietigt. De taak van de Raad is dan om over een ingesteld beroep advies uit te brengen aan de Koninkrijksregering.
De personele samenstelling van de Raad van State van het Koninkrijk is dezelfde als die van de Nederlandse Raad van State, aangevuld met twee staatsraden van het Koninkrijk; een voor Aruba en een voor de Nederlandse Antillen.
De staatkundige structuur van het Koninkrijk vormt al enige jaren onderwerp van overleg tussen de betrokken landen en eilanden. Als einddoel is in 2006 geformuleerd een Koninkrijk bestaande uit vier gelijkwaardige landen (Nederland, Curaçao, Aruba en Sint Maarten) en drie eilanden (Bonaire, Sint Eustatius en Saba) die als openbare lichamen onderdeel uitmaken van het land Nederland. De huidige bestuurslaag van het land Nederlandse Antillen komt te vervallen.
De overgang naar de nieuwe staatkundige verhoudingen binnen het Koninkrijk neemt echter meer tijd in beslag dan aanvankelijk werd gedacht. Naar aanleiding hiervan heeft de Nederlandse regering (in één geval samen met de Nederlands-Antilliaanse regering) de Raad van State tweemaal om voorlichting gevraagd over de wijze waarop tot een versnelling van het proces gekomen kan worden. Eén voorlichting gaat over de wijze waarop Nederland ten aanzien van de eilanden Bonaire, Sint Eustatius en Saba gefaseerd maatregelen kan nemen om deze eilanden voor te bereiden op hun toekomstige positie binnen het Nederlandse staatsbestel. De andere betreft de vraag van de Nederlandse en Nederlands-Antilliaanse regeringen gezamenlijk over de mogelijkheid voor bekorting van het overgangsproces van het land Nederlandse Antillen naar de nieuwe landen Curaçao en Sint Maarten.
Op 29 augustus 2008 heeft de Raad van State beide 'versnellingsvoorlichtingen' uitgebracht. In het hoofdstuk Raad van State van het Koninkrijk wordt op de inhoud daarvan ingegaan.
Naast de hiervoor genoemde 'versnellingsvoorlichtingen' heeft de regering ook voorlichting gevraagd over de juridische keuzes die gemaakt moeten worden in de wetgeving van verschillende ministeries met betrekking tot de invoering en aanpassing van de wettelijke regelingen die voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba zullen gelden. In het verslagjaar heeft de Raad ook geadviseerd over het ontwerpbesluit tijdelijk financieel toezicht Nederlandse Antillen, Curaçao en Sint Maarten. Dit ontwerpbesluit regelt het financieel toezicht op de besturen van het land Nederlandse Antillen en van de eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten tijdens de periode van overgang naar de nieuwe staatkundige verhoudingen.
<< Terug naar boven
De staat van de Raad
In het hoofdstuk over bedrijfsvoering wordt aandacht besteed aan de toekomstige ontwikkeling van de informatievoorziening op de onderdelen kennis, zaaksadministratie, tekstproductie, digitaal werken en beheer en aan de voortgang van de bouw van het nieuwe informatiesysteem Raster.
Verder wordt aandacht besteed aan de nieuwbouw en renovatie van de gebouwen waarin de Raad is gehuisvest. Tot deze nieuwbouw en vernieuwing is besloten omdat groot onderhoud onontbeerlijk was, de veiligheid van het gebouw tekort schoot en de wijze van werken de afgelopen jaren is veranderd.
De nieuwbouw en renovatie vindt in twee fasen plaats. De bouwwerkzaamheden van fase 1 zijn in het voorjaar van 2008 afgerond. In juni 2008 is ongeveer de helft van het aantal staatsraden en medewerkers verhuisd naar de nieuwe kantoorruimtes in het pand aan de Oranjestraat. In het jaarverslag zijn foto's opgenomen van het gebouw aan de Oranjestraat. Fase 2 heeft betrekking op de nieuwbouw en renovatie van het bestaande gebouwencomplex aan de Kneuterdijk en de renovatie van het zogenoemde Witte Paleisje. In september 2008 is begonnen met de werkzaamheden die naar verwachting tot eind 2010 duren. De Raad hoopt het nieuwe pand begin 2011 te betrekken.
De regering streeft ernaar de arbeidsproductiviteit van de Rijksoverheid te vergroten. In dat kader is aan de Raad van State een 5% taakstelling opgelegd in budget en menskracht over een periode van vier jaar. Deze taakstelling heeft de Raad voor de komende jaren ingevuld.
Daarnaast beoogt het kabinet door concentratie van taken, onder andere via de personeels- en salarisadministratie van de Rijksoverheid, P-Direkt, en het oprichten van expertisecentra, de overhead bij de rijksdienst te verkleinen en de kwaliteit van de dienstverlening te vergroten.
Hoewel de vernieuwing van de rijksdienst wordt ingezet met als adagium 'kleiner en beter', doet zich hier echter het tegenovergestelde voor: grotere organisaties, langere lijnen, dus een grotere kans op minder dienstverlening.
Schaalvergroting kan alleen succesvol zijn als het gebeurt in relatie tot de soort van dienstverlening. Als twee of drie departementen gezamenlijk zouden gaan inkopen of hun beveiliging gezamenlijk zouden opzetten, kan dat zonder twijfel efficiencyvoordelen opleveren. Maar als dat voor de hele Rijksoverheid moet gebeuren, leidt dat onvermijdelijk tot extra bureaucratie, dus tot datgene wat het kabinet nu juist beoogt te bestrijden.
<< Terug naar boven
Algemene beschouwingen van de Vice-President van de Raad van State
De wijze waarop de Raad van State zijn werk doet, staat niet los van de omgeving waarin de Raad werkt. Jaarlijks besteedt de Vice-President van de Raad van State in zijn 'Algemene beschouwingen' aandacht aan de veranderingen in die omgeving.
Dit jaar geeft de Vice-President een analyse van de uitgangspunten van de democratische rechtstaat omdat juist in tijden van crises die uitgangspunten extra aandacht verdienen. Om deze crises te kunnen doorstaan, is immers niet alleen de kracht van de economie, maar wellicht nog meer die van de democratische rechtsstaat bepalend.
Essentieel in een democratische rechtsorde is het besef dat niet alleen wetgever, bestuur en rechter, maar ook staat, markt en burgersamenleving voor hun functioneren wederzijds van elkaar afhankelijk zijn. Zij vormen elkaars tegenwicht. Dat tegenwicht is nodig omdat elk systeem de neiging heeft een in zichzelf gekeerd systeem te worden, waarbinnen tegengeluiden slechts in aangepaste vorm doordringen. Dat gevaar bedreigt de staat; dat gevaar bedreigt de markt; dat gevaar bedreigt de gevestigde instituties van de burgersamenleving. Essentieel in een democratische rechtsorde is ook het besef van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor het handhaven van de normen en beginselen die persoonlijke en publieke vrijheid, pluriformiteit en gematigdheid mogelijk maken en voor het naleven van de daarbij behorende spelregels.
Besef van wederzijdse afhankelijkheid en besef van gemeenschappelijke verantwoordelijkheid zijn niet gemakkelijk te behouden in een samenleving waarin niet de grondbeginselen van de democratische rechtsorde de belangrijkste ordeningsprincipes lijken te zijn, maar de wet van vraag en aanbod en waarin het boeken van resultaat op de korte termijn bepalend is voor succes.
In de democratische driehoek moet het evenwicht tussen markt, staat en burgersamenleving in hun verschillende verschijningsvormen steeds opnieuw worden gevonden. In de periode van de verzuiling lag een sterk accent op de burgersamenleving. Daarna kwam het accent op de verzorgingsstaat te liggen. Aan het einde van de jaren tachtig verschoof het accent van de staat naar de markt. De staat moest daarvoor terugtreden. Maar niet alleen de staat, ook de markt heeft zijn eigen logica en dynamiek. Ook de markt heeft tegenwicht nodig. Dat tegenwicht wordt nu verwacht van staten die zich de afgelopen jaren juist sterk verlaten hebben op het marktmechanisme.
Politieke instellingen en politieke functionarissen waren de afgelopen jaren onvoldoende in staat tegenwicht te bieden tegen de eigen dynamiek van markt én staat. Zij droegen zelf bij aan versterking van die eigen dynamiek door verzelfstandiging van uitvoerende diensten en onderwerping van publieke functies aan 'de tucht van de markt'. Niet meer het algemeen belang staat dan voorop, maar het voortbestaan van de eigen dienst en vergroting van het 'marktaandeel'. Waar marktwerking niet blijkt op te leveren wat wél werd voorgespiegeld, moet opnieuw worden nagegaan welke taken zo essentieel zijn voor het maatschappelijk verkeer dat ze niet aan de private sector alleen kunnen worden overgelaten.
Een krachtige democratische staat heeft zelfbewuste burgers nodig en een krachtige burgersamenleving, als complement op en tegenwicht tegen die staat en tegen (de uitwassen van) de markt. Zonder een actieve burgersamenleving wordt de legitimiteit van de staat aangetast, de positie van de staat tegenover de markt verzwakt en het goed functioneren van de markt ondergraven. Burgerschap heeft ten minste twee kenmerken: de inzet voor het algemeen belang en de gemeenschappelijke oriëntatie op de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat, waaronder het respect voor de rechten van de medeburgers. Er zijn grenzen aan de wijze waarop burgers hun individuele burgerrechten ten opzichte van elkaar uitoefenen. In een democratie gaat het niet alleen om de meerderheid, maar juist ook om de rechten van minderheden.
Binnen de Nederlandse staat zijn wetgeving (parlement en regering) en bestuur (regering en ambtenaren) steeds meer met elkaar verknoopt geraakt. Wie is verantwoordelijk voor wat? Wat is de eigen functie van volksvertegenwoordigers, bestuurders en ambtenaren? Door die verknoping blijft voor de burgers de rechter als tegenwicht tegen de staat over.
De rechter wordt gedwongen zich intensiever met het functioneren van het bestuur bezig te houden. Als de politieke controle op het bestuur zwak is, de ambtelijke positie daardoor sterker wordt en de positie van de burger daarmee in het geding komt, zal de onafhankelijke en onpartijdige rechter in het belang van de rechtsbescherming van de burger zijn bevoegdheden ruim uitleggen en zijn motiveringen daarop toesnijden. In een tijd waarin de band tussen wetgever en bestuur hechter wordt, moet de rechter des te beslister zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid bewaken.
Waar de nationale democratische rechtsstaat zich moet hervinden, kan de Europese Unie (EU) niet buiten beschouwing blijven. Dat geldt zeker nu door de financiële en economische crises de staat onder druk komt te staan en samenwerking meer dan ooit nodig is. Europa en de lidstaten zijn wederzijds van elkaar afhankelijk.
Europese wetgever, bestuur en rechter kunnen niet functioneren zonder de medewerking van wetgever, bestuur en rechter van de lidstaten. De Nederlandse rechter, het Nederlandse bestuur en de Nederlandse wetgever hebben een Europese rol. Onevenwichtigheden binnen de trias politica op nationaal niveau werken door naar het Europees niveau en vice versa. Dat geldt ook voor de verhouding binnen de 'democratische driehoek', nationaal en Europees.
Vrij algemeen wordt aangenomen dat mede onder invloed van de Europese Unie de verhouding in Nederland tussen staat, markt en burgersamenleving drastisch is gewijzigd ten gunste van de markt en ten nadele van een actieve burgersamenleving. Maar het omgekeerde is ten minste evenzeer waar: Het Europese beleid is in Nederland geïmplementeerd overeenkomstig de krachtsverhoudingen in de democratische driehoek met een sterke nadruk op de markt en verwaarlozing van de burgersamenleving. Meer dan andere landen heeft Nederland (met het Verenigd Koninkrijk) de liberalisering van markten verbonden met de privatisering van publieke diensten. De Europese Unie vormde daartegen geen tegenwicht. De Europese verdragen zijn neutraal ten aanzien van de keuze tussen privaat en publiek, mits de goede werking van de interne markt niet wordt verstoord. Dat verklaart ook waarom binnen dezelfde Europese regels door de lidstaten zo verschillend wordt omgegaan met publieke taken.
Ondanks dat grote groepen burgers inmiddels direct rechten kunnen ontlenen aan hun status van burger van de Europese Unie, blijft het besef van Europees burgerschap zwak. Ook dit staat niet los van de ontwikkelingen in eigen land. Het Nederlandse parlement zou ervoor kunnen zorgen dat de inbreng van burgers in het Europese besluitvormingsproces gestalte wordt gegeven door over belangrijke Brusselse onderwerpen tijdig hoorzittingen te organiseren, zoals dat ook met de nationale onderwerpen gebeurt. Is het niet merkwaardig dat maatschappelijke organisaties inmiddels de weg naar 'Brussel' probleemloos weten te vinden, maar bij de voorbereiding van het Nederlandse Europese beleid nauwelijks een rol spelen? In die hoorzittingen zou centraal moeten staan de vraag of op Europees niveau dan wel op nationaal niveau moet worden opgetreden en of dat optreden door de overheid moet geschieden of aan het particulier initiatief kan worden overgelaten.
Een goed functionerende markt heeft, wil zij duurzaam zijn, het tegenwicht nodig van een krachtige staat. Een krachtige staat heeft, wil hij democratisch zijn, zelfbewuste burgers nodig en een krachtige burgersamenleving. Markt, staat en burgersamenleving zijn wederzijds van elkaar afhankelijk. Wederzijdse afhankelijkheid vereist vertrouwen. Vertrouwen in (individuele) personen, hun integriteit en hun bereidheid de grondbeginselen van de democratische rechtsorde te respecteren. Maar vooral vertrouwen in de instituties van de democratische rechtsstaat. Zij belichamen de continuïteit.
De democratische rechtsstaat berust op het vertrouwen van continuïteit. De continuïteit van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid, van democratische legitimiteit en publieke verantwoording, van doeltreffendheid en doelmatigheid en van onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke toetsing. Deze continuïteit houdt niet in dat alles bij het oude moet blijven. Integendeel, verandering is gelet op de niet aflatende ontwikkelingen in de maatschappij zelfs noodzakelijk om de democratische rechtsstaat in stand te houden. Als maatschappelijke veranderingen snel gaan en minder voorspelbaar zijn, neemt de behoefte aan zekerheid toe. In tijden van crises groeit het gevoel bij mensen dat ze veel te verliezen hebben en dat er veel op het spel staat. Een democratische rechtsstaat moet juist in tijden van verandering door continuïteit zekerheid bieden. Juist bij ingrijpende veranderingen moeten de uitgangspunten van de democratische rechtsstaat gewaarborgd zijn. In de huidige crises is daarom niet alleen en misschien zelfs niet in de eerste plaats van belang hoe sterk de economie is, maar hoe sterk de democratische rechtsorde is in Nederland en in Europa.
Afdeling Communicatie van de Raad van State
8 april 2009
<< Terug naar boven